J.H. Weissenbruch was een leerling van A. Schefhout en van de Haagse Akademie voor Beeldende Kunst o.l.v. B.J. van Hove. Hij was vooral werkzaam in Den Haag, Scheveningen,  Haarlem en Noorden. Weissenbruch was vooral schilder en aquarellist van landschappen, stadsgezichten en strandgezichten en wordt gezien als een van de grote meesters van de Haagse School. Gaf les aan Victor Bauffe, Theophiel de Bock,  J.J. Heppener en aan zijn zoon Willem Weissenbruch.

Rondom het midden van de 19e eeuw werkte Weissenbruch nog betrekkelijk in de anonimiteit. Wel had hij in deze periode al zijn eerste contacten gelegd met Andries Schelfhout en met Johannus Bosboom. Na het zien van enkele waterverftekeningen van Weissenbruch nodigde Schelfhout de jonge schilder uit voor een bezoek aan zijn atelier. Bosboom ontried hem dit bezoek. Volgens Bosboom stond Schefhout negatief tegenover het schilderen naar de natuur, want daarmee werd maar verf gemorst. Bosboom vond dat Weissenbruch  op zichzelf moest leren staan.

In Haarlem komt Weissenbruch in aanraking met het werk van Ruisdael. Weissenbruch neemt veel aspecten over. Maar in de wijze van schilderen komt hij los. Het is een langzame zoekende constructie, die uitgaat van Ruisdael, poogt aan te sluiten bij Jongkind en Schelfhout, maar die uitkomt bij iets geheel eigens. Door de tijd heen is Weissenbruch altijd geboeid geweest door experimenten en zocht hij voortdurend naar vernieuwing. Rondom 1880 ontdekt hij de strandgezichten. Zijn aquarelleertechniek heeft nu een zeer  hoge kwaliteit bereikt. Het beeld is veelal verworden tot een stapeling van vlekken. De contouren  worden steeds meer buiten beeld gedrukt. Deze werken tonen een beheersing van de middelen en tegelijkertijd een vluchtigheid, die in die combinatie onbegrijpelijk is.

Bij Weissenbruch gaat het om een subtiel en technisch spel met de uiteindelijk neoklassieke principes van evenwicht en balans tussen kleur en licht: heeft het licht de overhand, dan leidt dat tot een afwezigheid van halftonen en uiteindelijk tot verlies van kleur. Als de kleur de overhand krijgt dan leidt dat tot een verbrokkeling in de voorstelling en in het beeld en tot overheersing van de lokale kleur en verlies van lichtwaarde.

Jan Hendrik Weissenbruch toverde met licht
december 1999   Bernadette van der Goes in Kunst en Antiekjournaal

De Haagse-Schoolkunstenaar Jan Hendrik Weissenbruch (1824-1903) schilderde de oerbeelden van het Hollandse landschap: het strand, de polder, het water, de wind en de wolken. Wandelen in de natuur bracht hem in extase. Het inspireerde hem tot het afbeelden van een tijdloze, eeuwige wereld, waarin het licht de hoofdrol speelt. ‘Het is net of zo’n zee wat van me wil. Daarin is God ook, God roept. Het is waarachtig geen lolletje, overal is ie. En overal roept ie Bavink. Je wordt mal van je eigen naam, als ie zo dikwijls geroepen wordt. En dan moet Bavink schilderen. Dan moet God op een brokkie linnen met verf. Dan roept Bavink God. En zo blijven ze mekaar roepen. Voor God is het een spelletje, die is oneindig en overal. Hij roept maar. Maar Bavink heeft maar één dom hoofd en één domme rechterhand en kan maar aan één schilderijtje tegelijk werken. En als ie denkt dat ie God heeft, dan heeft ie linnen en verf. Dan is God overal, behalve waar Bavink hem hebben wil.’ Met deze woorden beschreef in 1915 de schrijver Nescio in zijn verhaal Titaantjes de worsteling van de kunstenaar die de natuur wil afbeelden.

De schilder Jan Hendrik Weissenbruch was toen al twaalf jaar dood, maar toch zou de tekst heel goed ook over hem kunnen gaan. Op dit moment zijn in Museum Jan Cunen te Oss honderd schilderijen en aquarellen van hem te zien. De expositie geeft geen kunsthistorisch overzicht, maar toont in veelvoud waar deze landschapschilder van de Haagse School in uitblonk. Als geen ander heeft Weissenbruch de weidsheid van het vlakke Hollandse landschap weergegeven. De manier waarop hij ruimte, water, licht en lucht afbeeldde, is nog steeds een inspiratiebron voor hedendaagse kunstenaars.Weissenbruch beeldde dat af in zijn landschappen en deed dit zo meesterlijk dat de aanwezigheid van het echte licht voelbaar is. ‘De manier waarop Weissenbruch het licht weet te stemmen is diep doordrongen van het besef dat de cyclische krachten van de natuur ver uitgaan boven onze eigen krachten. Onder zijn hoge hemels is niets zo voelbaar als de nietigheid van de mens en de vergankelijkheid van ons bestaan’, schrijft Marcel Vos in de catalogus.  Om een goed landschap te schilderen moest de schilder zich niet enkel en alleen laten leiden door wat hij zag, maar op zoek gaan naar het onveranderlijke en het blijvende. Dan pas zou het hem lukken de schoonheid van de natuur zodanig uit te beelden dat de toeschouwer erdoor geraakt werd. ‘Een schilderij van Mauve of Maris of Israels spreekt meer en duidelijker dan de natuur zelve’, schreef Vincent van Gogh. Dat is zeker ook het geval bij het werk van Weissenbruch. Zijn schilderijen zijn veel meer dan mooie plaatjes. Hij schilderde ze zo goed, dat zij, met hun stranden, polders, water, wind en wolken, eeuwige, tijdloze oerbeelden voor ons zijn geworden van het Hollandse landschap.

Aan het eind van zijn leven vertelde Weissenbruch in een interview dat permanente studie van de natuur daaraan ten grondslag lag: ‘Als het stormt en regent, als het dondert en bliksemt, ben ik in mijn element. De natuur moet men in werking zien. Dan trek ik mijn jekker aan, steek mijn voeten in klompen, zet een soort hoed op en ga op mars. Als de buien bedaren, met houtskool of zwartkrijt een krabbel maken, om vast te houden wat ik zie. Bij het uitwerken komen kleur en toon vanzelf in herinnering.’ En collega-schilder Frans Smissaert (1862-1944) beschreef Weissenbruchs gemoedstoestand tijdens het werken: ‘Als er imposante wolkgevaarten over het polderland drijven, als de zon, plotseling te voorschijn tredende, éénsklaps een glinsterend licht over het water doet glijden, dan is Weissenbruch in zijn element. Op zulke dagen is hij bepaald in een soort van extase. De hele dag is hij buiten, maakt krabbels, schildert kleine studies. En ’s avonds staat zijn mond niet stil van de mooie luchten en schitterende effecten. Weissenbruch ging helemaal op in de natuur, misschien zelfs zo sterk dat hij zichzelf vergat. Hij was in extase.

Weissenbruch heeft dit niet met zoveel woorden gezegd, maar ook in zijn schilderijen heerst eeuwige rust, terwijl ze tegelijkertijd boeiend zijn om naar te kijken. Vrijwel nooit is iemand in zijn landschappen aan het werk. De schaarse mensen die er zijn, beeldde hij klein af en zij hebben geen individuele trekken. Molens, boerderijen en bruggen staan roerloos in de uitgestrekte polder. Alleen het water en de lucht zijn in beweging. Dat geeft spanning aan zijn schilderijen, maar maakt ze ook tijdloos. Water, wind, licht en wolken zijn er immers altijd geweest en zullen er altijd zijn. ‘Weissenbruch beeldde de natuur af op het moment dat zij haar eeuwigheidsbeeld aannam, en licht en schaduw, kleur en toon, lijnen en vormen in eenheid waren samengeklonken tot een harmonische schoonheid’, schreef de kunsthistoricus H.E. van Gelder. Het is dit eeuwigheidsbeeld dat hem zowel verbindt met zijn voorgangers, de schilders van de Nederlandse zeventiende eeuw, als met kunstenaars die na hem kwamen, zoals Mondriaan en Andriesse.

Weemoed Natuurlijk lukte het Weissenbruch niet meteen de natuur op deze wijze weer te geven. Er ging een lange weg aan vooraf. ‘Wat is schilderen? Ik weet het niet’, zei hij in het interview. ‘Je kunt het of je kunt het niet. En als je het kunt, wat een moeite, wat een worsteling!’ Weissenbruch heeft zijn hele leven in Den Haag gewoond. Hij is zelfs geboren en gestorven in hetzelfde huis aan de Kazernestraat. Hij was afkomstig uit een artistieke familie. Zijn vader was kok, maar schilderde in zijn vrije tijd en verzamelde schilderijen. Een oom was graveur en ook een broer en drie neven werden kunstenaar. De bekendste daarvan is neef Johannes Weissenbruch (1822-1880), die romantische stadsgezichten schilderde en tijdens zijn leven meer waardering kreeg dan Jan Hendrik. Vanaf zijn zestiende jaar kreeg Jan Hendrik Weissenbruch tekenlessen van J.J. Löw. Aansluitend bezocht hij de avondklas van Bartholomeus Johannes van Hove (1790-1880) op de Haagse Academie. Mogelijk werkte hij ook overdag in diens atelier, want Van Hove was, behalve schilder van stadsgezichten, ook toneeldecorateur. Weissenbruchs vroege werk toont duidelijk de invloed van Andreas Schelfhout (1787-1870). Toch schijnt hij niet bij hem in de leer te zijn geweest. In het interview was hij daar vrij duidelijk over. Schelfhout had hem op een gegeven moment wel gevraagd zijn leerling te worden, maar de schilder Johannes Bosboom (1817-1891) had hem dat afgeraden. Als Weissenbruch het aanbod van Schelfhout accepteerde zou hij misschien diens stijl en manier van kijken overnemen. Bosboom vond het beter dat Weissenbruch fris bleef: ‘Je moet het niet doen Weiss, je moet uit je eigen lens blijven zien’, had hij gezegd. Achteraf was Weissenbruch blij met die goede raad, want de natuur had hem altijd de weg gewezen. Vlakbij huis Om die natuur te zien hoefde hij niet ver te reizen. In zijn jonge jaren begonnen achter het ouderlijk huis aan de Kazernestraat de weilanden en de duinen. En als hij tien minuten de andere kant uit wandelde, was hij bij een andere inspiratiebron: het Haagse Mauritshuis. Daar bestudeerde Weissenbruch het werk van de zeventiende-eeuwse schilders Paulus Potter, Jacob van Ruisdael en Johannes Vermeer. Met name de laatste twee meesters zouden een blijvende invloed op hem hebben. Van hen leerde hij hoe hij het Hollandse licht en de wolkenlucht moest afbeelden. Soms is die invloed nog bijna letterlijk zichtbaar. Bijvoorbeeld in ‘Gezicht op de Trekvliet bij Den Haag’, uit 1870. Het schitterende uitzicht over het groene polderlandschap, de laag hangende bewolking en het kleurrijke palet, brengen onmiddellijk Vermeers ‘Gezicht op Delft’ en Ruisdaels ‘Gezicht op Haarlem met bleekvelden’ in herinnering.

Toen het landschap in de omgeving van Den Haag steeds meer plaats moest maken voor bebouwing, trok Weissenbruch vanaf het eind van de jaren zeventig regelmatig naar de ongerepte natuur rond de plaatsjes Nieuwkoop en Noorden. In dit waterrijke gebied schilderde hij talloze malen hoe de zon en de lucht zich weerspiegelden in het vlakke water. Rond dezelfde tijd werden zijn penseelstreken breder en gingen de vormen vervagen. Op die manier ontstonden atmosferische landschappen waarin water, licht en lucht in harmonieus op elkaar afgestemde tinten samensmolten. Een mooi voorbeeld van zo’n landschap is ‘Strandgezicht’, uit 1887. Afgebeeld is een heldere dag aan de kust. De lucht, die tweederde van het schilderij inneemt, is blauw met enkele wolken. Daaronder liggen de zee en het strand uitgestrekt. Als stoffering zijn in de verte enkele mensfiguren en zeilboten aangebracht. Maar die zie je niet meteen. Wat overheerst is de onmetelijke ruimte en de enorme intensiteit van het licht. ‘Lucht en licht zijn de grote tovenaars’, zei Weissenbruch zelf. Onder dat motto werd zijn verfbehandeling steeds abstracter. Het ging hem steeds meer om het effect en steeds minder om de letterlijke afbeelding. Sommige late landschappen doen daardoor denken aan vroege Mondriaans, andere brengen zo sterk een bepaalde sfeer over dat je er weemoedig van wordt.   Tekst: Gepost in: Kunst & Cultuur, Landschappen door Theo Balvers

WEISSENBRUCH – REDACTIE, J.H. WEISSENBRUCH.
Mooie monografie over de aquarellist en schilder Weissenbruch.
Alle aspecten van zijn werk komen aan bod. Mooi geillustreerd.
1999, 4to., 184 blz., 180 afb., geb.               
Interbook International

JOHAN HENDRIK WEISSENBRUCH (1824-1903).
Zeer uitgebreide monografie over leven en werk van de Haagse
School kunstenaar Johan Hendrik Weissenbruch. Selectie van 300  werken geven goed beeld van zijn gehele oeuvre. 100 Werken zijn in kleur afgebeeld. Degelijke studie, kritische analyse. 1992, 4to., 200 blz., 300 afb., geb.           
Interbook International

Weissenbruch, J.H. – Gelder, Dr. H.E.W. van.
J.H. Weissenbruch.
Amsterdam, H.J.W. Becht, no date, Wrappers, 26,5 x 19,5 cm., 60 pp. text in Dutch with 53 b/w ills.

WEISSENBRUCH,JOHAN HENDRIK. Laanstra,Willem. Johan Hendrik Weissenbruch 1824-1903. Amst., 1992.
224 pp. Num.ills (partly col.). Cloth.