Ferdinand Hart Nibbrig werd op 5 april 1866 te Amsterdam geboren. Hij kreeg al op jeugdige leeftijd schilder- en tekenlessen van Johan Rust.
Vanaf 1881 studeerde hij aan de Quellinusschool, vervolgens van 1883 tot 1888 aan de Rijks Academie te Amsterdam en tenslotte rondde hij zijn studie af door in Parijs te gaan werken op de Ecole Julien en het atelier Cormon. Hij keerde daarna naar Nederland terug verbleef enige tijd in Hilversum en betrok daarna het vroegere atelier van Jozef Israëls op de Rozengracht te Amsterdam. Als zovele van ijn Amsterdamse tijdgenoten ontkwam hij niet aan de invloeden van het impressionisme van in het bijzonder de grootmeester Breitner. In die tijd ontstonden onder meer zijn werk “Rozengracht” en de fraaie portretten van zijn grootmoeder die door koloriet en picturale behandeling getuigen van die invloed.
Van Amsterdam trok hij naar Laren waar hij zich vestigde hij in de door hem in opdracht gebouwde villa “Olmenhove” aan de Naarderstraat bij het Rozenlaantje.

Na een korte tijd gewerkt te hebben in de sfeer van het Amsterdamse Impressionisme bediende Hart Nibrig zich vooral van het realisme en pointillisme. Laatstgenoemde stijl introduceerde hij in het Gooi. Behalve in het kunstenaarsdorp Laren werkte en woonde de kunstenaar voor kortere of langere tijd ook in Rhenen , op Vlieland, in Zuid Limburg en in het Zeeuwse Zoutelanden.
Zijn eenjarig verblijf in Parijs, waar hij toen de nog zeker niet zo populaire kunst van de Luministen had leren kennen, bleek van grote invloed te zijn geweest op de ontwikkeling van zijn visie. Via diens broer Theo had Hart Nibbrig in Parijs kennis gemaakt met Vincent van Gogh en zijn werk. Ook het werk van Seurat had hem hevig geïmponeerd. Reeds vanaf 1892 zijn bij hem de eerste tekenen Vall zijn zoeken naar meer licht en openheid waar te nemen, maar dat betekende toch niet dat het vastgewortelde tonige naturalisme van de Hollandse school daarmee geheel was uitgebannen. Als bewijs van zijn vasthoudendheid daaraan ontstonden in Laren zijn indrukwekkende grote werken van Gooise boeren en boerentypen.
Hij plaatste hierin de zorgvuldig doorwerkte en dramatisch gekarakteriseerde figuren tegen een wat meer schematisch behandelde en een vrij tonig gehouden achtergrond. Daarnaast groeit hij in andere werken snel naar het gewenste zonnige koloriet. In de periode tussen 1900 en 1911 werkt hij veel op Vlieland, in Oostvoorne en het Walcherse Zoutelande, waar hij in een aantal landschappen tot grote helderheid komt in een fijne pointillistische techniek. De beperking van deze techniek waarmee ook Seurat reeds had te kampen was het nogal statische karakter dat de voorstelling kreeg. Hart Nibbrig had daarmee blijkbaar ook problemen. Hij wilde de levendige beweging niet prijsgeven. Later begon hij deze werkwijze te combineren met de driftige en sterk emotionele korte penseeltoetsen die hij bij Van Gogh had waargenomen.
In 1905 komt hij in zijn bijna maniakale zucht naar het levendig uitbeelden van het licht tot een grenspunt in zijn zinderende ‘Dal van de Rummel’ in Algiers. Vrede lijkt hij er evenwel niet mee te hebben want rond 1906 begint hij weer terug te grijpen naar zijn oude, tonige stijl en ontstaan daarin werken als ‘De Erfgooiers’ en ‘Bittere Spot’. In 1907 besluit hij Laren te verlaten. Naar zijn mening wordt het Gooi teveel geëxploiteerd als ‘het land van Mauve’. Bovendien vindt hij dat het land Zijll oude karakter verliest omdat er allerlei lelijke villa’s en huizen worden gebouwd. Het lijkt ook niet denkbeeldig dat de Gooise collega’s geen waardering of begrip voor zijn ‘nieuwe stijl’ konden opbrengen. Hij vestigde zich in Rhenen waar hij o.m. zijn ‘Pontveer’ in zijn bekende tonige stijl schilderde. Toch kon hij Laren, zijn riante woning en zijn collega’s en vrienden daar, moeilijk missen en na een jaar keerde hij er terug. Opnieuw begon hij daar met zijn experimenten in kleur, licht en beweging.
Hart Nibbrig was een bekwaam en gevoelig kunstenaar en van zijn experimenten mocht terecht veel verwacht worden, maar helaas heeft hij geen tijd gekregen, deze tot een einde te brengen en er een geheel eigen stijl uit op te bouwen. op 12 oktober 1915 overleed hij in Laren op tweeënvijftigjarige leeftijd, een te vroeg afgebroken kunstenaarsloopbaan. Zijn artistieke erfenis is belangrijk. Al heeft hij zijn doel niet mogen bereiken, hij was een der eerste kunstenaars die het luminisme in Nederland introduceerde. Na hem volgden meerderen zijn richting. Afgezien van zijn experimenten met kleur en licht, kreeg hij vooral naam door zijn imponerend geschilderde Gooise boeren.
Deze plaatsen hem onder de meesters der Gooise kunst, met dien verstande, dat hij als enige onder hen het accent legde op de onverbloemde realiteit en de dramatiek van het Gooise boeren bestaan.
Het zijn werken van blijvende waarde, die een tijdperk in het Gooise leven fel en soms aangrijpend belichten. Behalve schilder was Hart Nibbrig ook een vaardig en bekwaam graficus, etser en lithograaf. In deze technieken heeft hij knappe portretten gemaakt, ontwierp hij affiches en tekende hij illustraties.
Er is een uitgebriede en kleurijke monografie over hem uitgegeven. De auteurs zijn drs.Dominique Colen en drs. Denise Willemstein.
Ter nagedachtenis is er in Laren een straat “Hart Nibbriglaan” naar hem genoemd

De Valk Lexicon kunstenaars Laren-Blaricum

HART-NIBBRIG, FERDINAND – D. Colen, D. Willemstein, Ferdinand Hart Nibbrig 1866-1915. Zwolle, Waanders / Singer Museum Laren, 1996. Geb., met stofomslag, 142p., illustraties in kleur en zw/w.