Binnen de geschiedenis van de schilderkunst vormen de
19e en 20ste eeuw een bijzondere periode. Vóór 1800 blijven
nieuwe stijlen vaak tientallen jaren in zwang. Onder invloed
van de industrialisatie en de globalisering van de wereld
verandert dit snel. Vaak ontstaan er meerdere nieuwe stijlen tegelijkertijd. Tussen 1850 en 1950 verandert er in de schilderkunst meer dan in de tweeduizend jaar die eraan
voorafgaan. De snelheid en de heftigheid waarmee
bewegingen en tegenbewegingen ontstaan, hangt samen met
de industrialisatie en de komst van nieuwe massa communicatiemiddelen. De uitvinding van de telegraaf, de fotografie en het in grote oplagen drukken van boeken en kranten maken de wereld snel kleiner.

De grootste verandering in de schilderkunst is wel de
ontwikkeling naar de abstractie. Dit is een geleidelijk proces
waarvan de wortels al in de 19e eeuw te vinden zijn. Vaak
beschouwt men de ontdekking van de fotografie als het
beginpunt van deze evolutie. Door de komst van de foto is
het niet langer nodig natuurgetrouw te schilderen.
Wetenschappelijk onderzoek naar de werking van licht leidt
tot nieuwe stromingen als het `impressionisme’ en het
`pointillisme’. De grootste vernieuwingen vinden plaats
tussen 1908 en 1925. In deze korte tijdspanne komt Picasso
tot het `kubisme’, maakt Kandinsky het eerste volledig
abstracte schilderij en roept Marcel Duchamp een omgekeerd
urinoir uit tot kunstwerk.

Nederland in het begin van de 19e eeuw.
De schilders uit de 18e eeuw beschouwen de kunst uit de Gouden Eeuw (de 17e eeuw) als het mooiste dat ooit gemaakt werd. Ze denken deze schilders niet te kunnen overtreffen en borduren in stijl en onderwerp voort op hun 17e-eeuwse voorgangers. De grote internationale stromingen van de 18e eeuw hebben op de kunst van het provinciale Nederland weinig invloed. Aan het begin van de 19e eeuw zijn de eerste veranderingen waar te nemen.

Romantiek
Tussen 1810 en 1860 is Nederland in de ban van de
romantische schilderkunst. Stadsgezichten, historiestukken en stemmige, ongerepte natuurlandschappen zijn de belangrijkste onderwerpen. De romantische kunst is sterk nationalistisch van
karakter. De ijsgezichten van Andreas Schelfhout (1787-1870) gelden nog steeds als het prototype van het Nederlandse landschap in de winter. Bevroren rivierlandschappen gestoffeerd met molens, schaatsende mensen en koek-en-zopie. Schelfhout was een meester in het schilderen van ijs. Met rake toets geeft hij schaatssporen in het ijs weer, met ijsblokken en schotsen op het ijs laat hij zien dat hij een meester is in de stofuitdrukking.
De Nederlandse Romantiek wordt gekenmerkt door haar grote technische verfijning. Op minutieuze wijze wordt  het landschap weergegeven. Aan de majestueuze eikenbomen van B.C. Koekkoek (1803-1862) lijk je ieder blad te kunnen tellen. Koekkoek vestigde zijn atelier in Kleef en maakte het rivierlandschap langs de Rijn tot zijn onderwerp. Boeren die hun vee door een mysterieus woud leiden, met in de verte het altijd weerkerende gezicht op de Rijn.
B.C. Koekkoek en Andreas Schelfhout waren tijdens hun leven gevierde kunstenaars. Ze hielden grote ateliers waarin veel belangrijke romantische schilders werden opgeleid. B.C. Koekkoek geldt zelfs als de stamvader van een echte dynastie. We kennen maar liefst negentien nazaten en familieleden die de schilderkunst als vak kozen. Vaak zijn ze aan hun onderwerp te
herkennen. Zo schilderde Hermanus Koekkoek (1815-1882) voornamelijk zee- en riviergezichten en Willem Koekkoek 1839-1895) stadsgezichten.

De invloed van de Gouden Eeuw op de romantische    schilderkunst is groot. In bijna al hun werken laten de schilders hun verwantschap aan hun 17e-eeuwse voorgangers zien. Historieschilders nemen meestal beroemde 17e eeuwse gebeurtenissen tot onderwerp.
De theatraal aandoende voorstellingen uit Nederlands
roemruchte verleden zijn zeer populair. Met name de strijd van Willem van Oranje tegen de Spanjaarden is een dankbaar en veel voorkomend onderwerp.      .

Johan Barthold Jongkind, een Nederlander wijst de weg.
Ook Johan Barthold Jongkind (1819-1891) werd opgeleid in het ateliervan Andreas Schelfhout. Zijn talent blijft niet onopgemerkt. In 1843 ontvangt hij van koning Willem II een beurs om zijn opleiding voort te zetten aan het atelier van de Franse schilder Eugène Isabey (1803-1886). Langzaam verandert Jongkinds stijl. De verfijnde romantische toets wordt losser en vrijer en zijn kleurgebruik lichter en vrolijker. Samen met de Franse schilder Eugène Boudin (1824-1898) is hij meestal te vinden aan de Normandische kust. In de zomer krijgen Boudin en Jongkind bezoek van jonge impressionisten als Monet en Manet. De impressionisten worden sterk geïnspireerd door de nieuwe schilderwijze van  Jongkind en Boudin. Omdat men in Frankrijk zeer gesteld is op Jongkinds schilderijen met Hollandse onderwerpen, keert hij nog een aantal malen terug naar Nederland. Hij kiest dan ook voor typische onderwerpen als molens, schaatsers en havengezichten. Vanwege hun grote invloed op de impressionisten worden Jongkind en Boudin
pre-impressionisten genoemd. Na Vincent van Gogh wordt
Jongkind als Nederlands invloedrijkste 19e eeuwse schilder
beschouwd.

De `School van Barbizon’ en het `plein air’ schilderen.
De `School van Baribizon’ is een groep Parijse schilders die in
het midden van de 19e eeuw de grote stad verlaten om in de
bossen rond het plaatsje Barbizon voor het eerst in de open
lucht te schilderen. Geïnspireerd door Nederlandse 17e eeuwse landschapsschilders als Hobbema (1638-1709) en  Jacob Ruysdael (1628-1682) en de Romantische  natuurbeleving, vinden zij in de wouden van Fontainebleau passende onderwerpen. De industrialisatie heeft de ontwikkeling van olieverf in tubes mogelijk gemaakt. Schilders hoeven niet langer hun eigen verf te wrijven maar kunnen met kant-enklare verf in hun schilderkist op iedere gewenste plek aan de slag. Dit `naar de natuur werken in de buitenlucht’ noemt men `plein air’ schilderen. Voor het eerst wordt op realistische wijze het harde boerenleven weergegeven. In het werk van J.F. Millet (1814-1875) en Gustave Courbet (1819-1877) is het opkomende sociale bewustzijn herkenbaar.

De ‘Haagse School’
De schilders van de `Haagse School’ (circa 1860-1890) worden sterk beïnvloed door de `School van Barbizon’. In navolging van deze Franse schilders nemen de `Haagse scholers’ het landschap rond de residentie als onderwerp. Hendrik Willem Mesdag schildert het strand en de Scheveningse vissers. J.H. Weissenbruch (1824-1903) legt stemmingen rond de plassen bij
Noorden vast en Willem Maris (1844-I9I0) gaat de polder in voor zijn inspiratie.

Binnen de `Haagse School’ is er ook aandacht voor het  leven en werken van de arbeidersbevolking. Jozef Israels (1824-1911) legde op gevoelige wijze het harde vissersleven vast. De melancholieke, tragische beelden van verdronken vissers en de kinderrijke gezinnen die zij achterlaten, bezorgen hem wereldfaam. De kunstenaars van de `Haagse School’ schilderen losser en vrijer dan hun Romantische voorgangers. Vernieuwend is dat ze de vrije natuur intrekken om te schilderen. Met vlotte
toets en een grijsgroen kleurenpalet proberen zij een impressie te geven van het Nederlandse landschap  Door hun ingetogen kleurgebruik worden ze ook wel `de meesters van het grijs’ genoemd.

Het ‘impressionisme’, een nieuwe kijk op schilderen.
De naam `impressionisme’ is afgeleid van het schilderij
Impression, soleil levant (impressie, ondergaande zon) van Claude Monet (1840-1926) dat in 1874 op een groeps tentoonstelling te bewonderen is. Het gezelschap bestaat onder anderen uit schilders als Eduard Manet (18231883), August Renoir (1841-1919), Camille Pissarro (1831-t9o3), Alfred Sisley (1839-1899), Paul Cézanne (1839-1906) en Edgar Degas (1834-1917).
Het werkelijke doel van de impressionisten is het bereiken van een grotere natuurlijkheid door een exacte analyse van de tonen en kleuren die ze waarnemen. Ook pogen ze het licht- en schaduwspel op het oppervlak van verschillende objecten vast te leggen. Dit schilderen van kleurvlakken en kleurtoetsen die samen een beeld vormen, is volledig tegengesteld aan de werkwijze tot die tijd. Voor het impressionisme maakt men een tekening en kleurt deze vervolgens in. De nieuwe manier van
kijken en schilderen maakt de werken van de impressionisten zo kleurrijk en levendig.

Vincent van Gogh (1853-1890), een bezeten kunstenaar.
De schilders van de `Haagse School’ worden door hun
tijdgenoten hoog gewaardeerd. Ookvoor Vincent van Gogh zijn zij een inspiratiebron. Korte tijd heeft hij les van zijn beroemde neef Anton Mauve y838-1888). Het vroege werk van Vincent is donker en melancholiek. Zijn kleurgebruik wordt beïnvloed door de `Haagse School’. Toch spreekt er een grote drang uit om goed te schilderen.
Om zich te verzetten tegen de sociale misstanden van zijn tijd
schildert hij arme boeren, achterbuurten en paupers. Tot een
heftige maar kortstondige bloei komt Vincent pas als hij naar
Frankrijk gaat. Zijn broer Theo van Gogh, die kunsthandelaar
in Parijs is, nodigt hem uit. Via Theo leert hij het werk van de
impressionisten kennen. De stijl die Vincent van Gogh ontwikkelt, zal de bakermat vormen voor 20e-eeuwse stromingen als het fauvisme en het expressionisme. Hoewel miskend in zijn tijd, geldt hij nu als Nederlands belangrijkste 19e eeuwse schilder.

De 80’ers het Amsterdams impressionisme.
De generatie na de `Haagse School’ laat zich inspireren door
het Franse impressionisme. Zij worden dan ook wel de
Amsterdamse impressionisten genoemd. Net als de Franse
impressionisten kiezen zij het mondaine leven van de grote
stad als onderwerp. G.H. Breitner (1857-1923) laat zich
inspireren door het Amsterdamse straatleven. Hij gebruikt daarbij de fotografie als hulpmiddel.  Isaac Israels is een natuurtalent. Al op zeventienjarige leeftijd stuurt hij een groot schilderij naar de Salon in Parijs. Zijn vader Jozef Israels is een internationaal gevierd schilder. Na een paar jaar blijkt het Amsterdamse voor Isaac Israels niet mondain genoeg te zijn. Hij verruilt Nederland voor Parijs.  Daar vindt hij in de modehuizen en de naaiateliers de
onderwerpen die hij zoekt. In een Parijs stadspark legt hij een
in de krant verzonken dame vast.
Na zijn Parijse tijd bezit Isaac enige tijd een atelier in Londen
en werkt hij in Zwitserland, Italië en Nederlands-Indië.

Postimpressionisme, reactie op reactie.
Postimpressionisme is een verzamelnaam om een aantal
verschillende stromingen te benoemen die voortkomen uit het impressionisme, zoals het pointillisme en het synthetisme of cloisonnisme. Daarnaast worden onder het postimpressionisme invloedrijke eenlingen geschaard, zoals Vincent van Gogh en Cézanne. Schilders die grote invloed hebben op volgende generaties, maar geen stroming of beweging om zich heen vormen. Het pointillisme van George Seurat (1859-1891) en Paul Signac (1863-1935) is gebaseerd op de theorie van het divisionisme. Het is het naast elkaar, in bepaalde verhoudingen, plaatsten van stipjes in primaire kleuren (geel, rood en blauw) die door optische vermenging secundaire kleuren (zoals groen, oranje of paars) vormen. Het synthetisme of cloisonnisme is een door het symbolisme beïnvloede reactie tegen het impressionisme. Deze schilders vinden dat de naturalistische uitgangspunten van het impressionisme de expressie van gevoelens, ideeën en emoties in de weg staan. Kenmerkend zijn duidelijk omlijnde, grotere vlakken. De stroming wordt ook wel `School van Pont  Aven’ genoemd, naar het dorp Pont Aven in Bretagne waar de kunstenaars rond de schilder Paul Gauguin (1848-1903)  zijn samengekomen.

Art Nouveau, de slaoliestijl.
De uit Nederlands-Indië afkomstige Jan Toorop zoekt na zijn academietijd zijn heil in Brussel. Daar wordt hij opgenomen in de vooruitstrevende kunstenaarsvereniging `Les Vingts’. Op een expositie leert hij het werk van de pointillist Seurat kennen. Als
eerste Nederlandse schilder gaat Toorop pointillistisch schilderen.

Jan Toorop blijft experimenteren en zoeken. Enkele jaren later heeft hij zich tot het symbolisme bekeerd. In deze stijl is zijn Indische afkomst duidelijk een bron van bezieling. Zijn slangachtige dames zijn zichtbaar geïnspireerd op de Indonesische wajangpoppen. In 1895 ontwerpt hij voor de Delftse Slaoliefabrieken een affiche.
Vanwege zijn cruciale rol in de introductie van het symbolisme en de art nouveau in Nederland wordt deze `nieuwe kunst’ ook wel de `slaoliestijl’ genoemd.

Luminisme.
Vanaf 1902 vestigt Jan Toorop zich iedere zomer in de mondaine badplaats Domburg. Hij gaat opnieuw pointillistisch schilderen. Om hem heen groeit een kunstenaarskolonie, waar kunstenaars als Piet Mondriaan (1872-1944), Otto van Rees (1884-1957) en Lodewijk Schelfhout (1881-1943) deel van uitmaken. Het
pointillisme van Toorop wordt door de jonge Nederlandse kunstenaars omgevormd tot een nieuwe stijl, het luminisme. Een vorm van pointillisme waarin de invloed van Vincent van Goghs expressionistische toets en kleurgebruik duidelijk herkenbaar zijn.

Kees van Dongen (1877-1968), een Rotterdammer in Parijs.
Parijs blijft het Mekka van de moderne kunst. Schilders als Leo Gestel (1881-1941) en Jan Sluijters (1881-1957) gaan er naartoe om inspiratie op te doen. Jan Sluijters verliest zelfs zijn `Prix de Rome’ als hij na zijn studiereis in Nederland terugkeert met het schilderij Femme qui s’embrassent. Deze sensuele, duidelijk door ToulouseLautrec beïnvloede omhelzing van twee vrouwen wordt in Nederland als decadent, ongehoord vulgair en schokkend
ontvangen.

Ook Kees van Dongen gaat naar Parijs. Hij wordt echter zo gegrepen door het Franse kunstleven, dat hij niet meer terugkeert naar Nederland. Met Henri Matisse (1869- en André Derain (1880-1954) behoort hij tot de eerste Franse expressionisten. De felle kleuren waarmee zij werken, wekt afschuw op bij het publiek; men noemt de groep `les Fauves’ (de wilde beesten). De kunstenaars accepteren deze titel als een geuzennaam.

Fauvisme en expressionisme.
De expressionisten vinden hun inspiratie bij schilders als Vincent van Gogh, Edvard Munch (1863-1944) en primitieve culturen uit Afrika en de Stille Zuidzee. In Duitsland zijn de belangrijkste expressionistische kunstenaarsgroepen `Die Brücke’ en `Der Blaue Reiter’. Het Duitse expressionisme is wat rauwer van kleur en vorm dan het Franse fauvisme. Het werk van de expressionistische schilderbeweging de `Groninger Ploeg’
vertoont in kleur, vorm en onderwerp een grote overeenkomst met het Duitse expressionisme. Dit is een gevolg van het persoonlijk contact tussen `Die Brucke’-schilder E. L. Kirchner (1880-I938) en de Groningse schilder Jan Wiegers (1893-1959).
Fauvisme en expressionisme in Nederland.

Naast de Duits geïnspireerde schilders van de `Groninger
Ploeg’ heeft ook het Franse expressionisme in Nederland
zijn navolging, alhoewel in een iets aangepaste vorm.
Mondaine decadente dames geschilderd in schreeuwerige kleuren vinden we nu ook bij Leo Gestel en Jan Sluijters terug.
In Bergen vormt zich rond de Franse schilder Le Fauconnier een expressionistische kunstenaarskolonie.
Le Faulconnier staat een wat somberder palet voor. De werken van de `Bergense School’ zijn dan ook veel minder fel van kleur dan het werk van hun Duitse, Franse en Groninger tegenhangers.

Kubisme en futurisme.
In 1906 schildert Pablo Picasso (1881-1973) onder invloed
van primitieve Afrikaanse kunst het schilderij Demoiselles
d’Avignon; het beginpunt van het kubisme. Samen met
Georges Braque (1882-1963) ontwikkelt hij in de volgende
jaren de meest invloedrijke kunststroming van de 20e eeuw.
De centrale gedachte in het kubisme is datje een object het best weergeeft als je het van verschillende kanten tegelijk bekijkt. Vervolgens worden deze verschillende gezichten op het object in een schilderij gecombineerd. In Italië ontstaat rond 1910 `het futurisme’. Een modernistische, aan het kubisme verwante
kunstenaarsbeweging, die de machinale beweging, oorlog
en het moderne gemotoriseerde leven als esthetische maatstaf gebruikt. Het Franse kubisme en het Italiaanse futurisme worden ongeveer tegelijkertijd op tentoonstellingen in Nederland geïntroduceerd. De Nederlandse kunstenaars maken hier persoonlijke, eigen variaties op. Leo Gestel ontwikkelt zijn kubistisch futuristische stijl tijdens een reis naar Mallorca. Deze
periode wordt dan ook zijn Mallorcatijd genoemd. Ook Jan Sluijters experimenteert korte tijd met variaties op het
kubisme en het futurisme.I

Mondriaan, de weg van figuratief naar abstract.
De eerste schilderijen die Piet Mondriaan (1872-1944) maakt, zijn geheel in de traditie van de `Haagse School’ .Via het symbolisme, het luminisme en het kubisme komt hij tot zijn eigen kunsttheorie: het `neo-plasticisme’. Hierin worden vormen teruggebracht tot horizontale en verticale lijnen en worden enkel de drie primaire kleuren (rood, geel en blauw) en zwart, wit en grijs gebruikt. Mondriaan gaat steeds verder abstraheren; van lieverlee is het figuratieve uitgangspunt niet meer te herkennen. Een mooi voorbeeld van zo’n abstrahering is de serie appelbo men in het Haags Gemeentemuseum. De appelboom wordt door geleidelijke abstrahering en vereenvoudiging teruggebracht tot een verzameling horizontale en verticale lijnen.

‘De Stijl’
Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog raakt het
neutrale Nederland geïsoleerd van de rest van de wereld.
Met een aantal geestverwanten richten Piet Mondriaan
en Theo van Doesburg (1883-1931) het blad `De Stijl’ op.

Tekst: Kunsthandel Ivo Bouman Den Haag.         http://www.ivobouwman.nl/