De bosrijke omgeving van de Plasmolen in Noord-Limburg trok rond 1900 de eerste kunstenaars aan. Gedurende de eerste helft van de eeuw schilderden tientallen de omgeving en de bevolking. Voor velen was het verblijf in Plasmolen van korte duur, anderen raakten voorgoed geboeid.

Omstreeks 1900 vestigde de Amsterdamse notariszoon Jacques van Mourik zich in Plasmolen, de plaats die hij tijdens vakanties met zijn ouders had leren kennen. Op advies van de Haagse schilder Jacob Maris, had Van Mourik de Academie voor Beeldende Kunsten in Düsseldorf en de Rijksacademie van Amsterdam gevolgd. Tussen de houthakkers, stropers en heikneuters voelde de jonge schilder zich op zijn plaats. Zij vormden het onderwerp voor Jacques van Mouriks werk, samen met de afwisselende natuur. Hoe ongerept die natuur was, blijkt uit de opmerking van de natuurvorser/schrijver Jac.P. Thijsse: “De Jansberg bij Mook, met zijn onmiddellijke omgeving is, botanisch, wel een der rijkste landschappen van Nederland, misschien wel het rijkste.”

Na enkele jaren haalde Van Mourik zijn academievriend Dirk Ocker en zijn vrouw, het schildersmodel Paula Janette, over om naar Plasmolen te komen. Ocker maakte toen deel uit van de schildersgroep “Gooise Tien” en werkte in Laren. Tijdens die periode had hij Larense interieurs geschilderd die naar Engeland werden doorverkocht. Door zijn theosofische levensopvatting, die resulteerde in tal van mystiek-wazige doeken met vrouwengestalten, in rode en groene tinten, duurde de tijd van “broodschilderen” slechts kort. Ocker vestigde zich in 1916 voorgoed in Plasmolen.
Sinds 1912 woonde de schilder Gerard Cox met zijn gezin in Mook. In het najaar trok hij met zijn nieuwe werk per woonwagen Limburg in om te gaan verkopen. Een van zijn dochters trouwde met Jacques van Mourik in 1916. Cox heeft de omgeving vastgelegd in talloze pastels: de heide, de armelijke boerderijtjes, houtsprokkelende vrouwen, de vennen en bossen.
J.S. Göbel beschreef in een toeristische gids de Plasmolen als volgt in 1909: “De eenvoudige landelijke hutten en boerenhoeven, hier en daar door groepjes bomen omgeven, liggen schilderachtig over de heideachtige bouw- en moeraslanden verspreid (…) terwijl er korten tijd geleden leemen hutten in aantal te vinden waren. Ten spijt der landschapschilders, die vaak den Plasmolen bezoeken, zijn die allen verdwenen. Toch kunnen deze schilders nog stof voor hun penseel genoeg vinden, in menige landelijke woning of in de eigenaardige groepering, waarin deze als ‘t ware zijn neergeworpen.”
Een trefpunt voor smokkelaars, stropers, houthakkers en een enkele boer was van oudsher de herberg aan de grote plas. Ook de schilders kwamen er en soms werd geëxposeerd in het houten huis dat Gerard Cox in de tuin van het hotel neerzette.

Er waren veel contacten met vakbroeders in de regio zoals Dorus Arts uit Groesbeek, het beeldhouwersechtpaar Albert en Godelieve Meertens uit Berg en Dal, Peter Roovers die van Mook naar Heijen verhuisde, Nijmegenaars zoals de schilders Antoon Heijmans, Toon Vijftigschild, Chris Hammes en zijn zoon de beeldhouwer Charles Hammes, de in Groesbeek geboren Henk Cornelder, Jan Koenen uit Milsbeek, Jules de Roeper uit Heumen.
Een deel van de kunstenaars was, evenals in andere delen van Nederland, betrokken bij het verzet in de tweede wereldoorlog. Het gold o.a. voor de beeldhouwer Peter Roovers en zijn vrouw Wiesje Nederveen, voor de jonge schilderes Jopie van Kampen en voor Jacques van Mourik die onderdak bood aan de bij verstek ter dood veroordeelde dichter/burgemeester Louis de Bourbon.
Een groep jonge grafici die in Middelaar en Milsbeek was ondergedoken, stak na de oorlog de Maas over en vormde de Cuijkse Groep die ook landelijk de aandacht trok.

Onder de vele passanten in Plasmolen was de Haagse Theophile de Bock. Deze had, samen met Hendrik en Sientje Mesdag geschilderd aan het grote panorama vanaf het Scheveningse Seinpostduin dat nog steeds te zien is in het Haagse museum “Panorama Mesdag”.
Van een Plasmolense School is geen sprake, elk schilderde naar zijn aard, met eigen technieken, volgens eigen opvattingen. De natuur speelt een grote rol in het werk van de meesten en geeft een beeld van wat verloren ging, door de oorlog en door vooruitgang en toerisme.

In 1960 namen de kunstenaars Jules de Roeper, Jan Koenen en Huub Gommans het initiatief voor een expositie waar werk van de Plasmolense kunstenaars samen met dat van de jongere generatie te zien was. Succesvolle tentoonstellingen met dit concept vonden jaarlijks plaats tot en met 1966. Het verlangen naar een eigen paviljoen voor deze tentoonstellingen resulteerde in een Cultureel Creatief Centrum dat, gebouwd met veel subsidies, in 1973 werd geopend. Toen de noodzakelijke exploitatiesubsidies uitbleven, bleek het gebouw niet langer rendabel. In mei 1975 sloot het centrum de deuren zonder dat de initiatiefnemers er zelf hadden geëxposeerd.

Tekst: Stichting J. van Mourik