Sofia Theodora van Driel werd geboren in Düsseldorf op 25-9-1899 als dochter van Johannes Gerardus van Driel en Sophia Adriana van Lammeren. Zij woonde tot haar huwelijk (1927) bij haar ouders in Den Haag, waar ze de Tekenacademie bezocht. In haar voorhuwelijkse periode (tot 1927) schilderde zij “antieke” stillevens: gecompliceerde donker ogende stukken met veel fruit en bloemen, onder het pseudoniem Tilly Moes. Ze had daarnaast echter een kantoorbetrekking om echt in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.

Zij trouwde in Den Haag op 1 september 1927 met de schilder Nico Bruijnenstein, die zij op de Academie had ontmoet  en verhuisde kort daarop met hem naar het Gooi. In de periode tot 1939 verhuisden zij veelvuldig. Hoofdzakelijk woonden zij in het Gooi en omgeving (Blaricum, Laren, Eemnes, Vreeland, Kortenhoef), maar ze verbleven ook in Driebergen, Overveen, Oisterwijk, Antwerpen en Ploesti (Roemenië).

Na hun huwelijk moest er natuurlijk brood op de plank komen, zeker toen in december 1931 hun (enige) zoon geboren werd. Ze waren er trots op, dat dit met uitsluitend schilderwerk lukte en dat ze ook de hele crisisperiode in de 30-er jaren doorkwamen zonder hun hand te moeten ophouden voor overheidssteun. Het was in hoofdzaak Fia die met haar werk het inkomen verschafte. Nog steeds onder haar oude pseudoniem Tilly Moes (ze vond dat dit broodwerk” te weinig kwaliteit had om er haar eigen naam onder te zetten) schilderde ze het ene bloemstilleven na het andere. Vooral de zonnebloemen en klaprozen waren een kassucces. Nico ging per trein en tram op reis met grote pakken schilderijen om ze aan de man te brengen.

In Den Haag brak de zoëven beschreven serieproductie van Tilly-Moezen volkomen door. Als vaste klant isj vooral de naam van kunsthandel Veenendaal in Amsterdam bekend.  Waarschijnlijk in die Haagse periode experimenteerde Fia ook even met schilderen met het mes. Het resultaat beviel haar echter niet.

Op de huisvesting rustte echter geen zegen. Al na drie jaar moesten ze vertrekken omdat de Duitse bezetter een deel van Den Haag wenste af te breken in verband met de bouw van de Atlantikwall. Ze werden weer pensiongasten en onderhuurders als tevoren, ditmaal in Zeist.

De succesgang van de Tilly Moezen ging onverdroten voort. De beste klant was nu Gazendam in Deventer, met een goede tweede plaats voor Spitzers in Den Haag. Tijdens een bezoek aan familie in Den Haag stuurde Fia haar zoon naar de Fa. Spitzers om een pakket af te leveren. Teruggekeerd kon hij melden dat in de etalage van Spitzers niet alleen háár Tilly-Moezen stonden, maar ook schilderijen met dezelfde afbeeldingen maar met een andere signatuur. Fia bleek dit verschijnsel al te kennen: ze kon de vraag niet aan, en daarom kregen anderen de kans om in het gat te springen. Ik heb de (merendeels slechte, soms karikaturale) imitaties later van allerlei soorten gezien, met diverse signaturen .

De naam Tilly Moes werd ook wel voor andere producties geleend. Een zekere H. Bellaard signeerde pastel-tekeningen met Tilly Moes , en ik trof de naam ook onder een linoleumsnede van een onbekende maker  Fia heeft deze technieken nooit toegepast.

Natuurlijk kon het leven in Den Haag en Zeist niet alleen maar uit Tilly-Moezen bestaan. Fia maakte daarnaast op kleine schaal betere bloemstillevens onder haar eigen naam Fia van Driel.

Na Nico’s dood in 1950 stond Fia voor de taak alleen voor de broodwinning te zorgen. Weliswaar nam haar zoon (achtereenvolgens scholier, militair en student) de administratieve beslommeringen over, maar het zag er naar uit dat nu de Tilly Moezen voor Gazendam en Spitzers (die voortaan per post of per bode verstuurd werden) de enige inkomensbron zouden zijn.

Het liep echter anders: Fia was er het type niet naar om kunsthandels af te reizen om klanten te werven, zoals Nico gedaan had. Maar de klanten meldden zichzelf. Waarschijnlijk door de stijging van de algemene welvaart zochten vroegere klanten, soms uit een ver verleden, contact, meestal onwetend van Nico’s overlijden. Willemsen te ’s-Gravenhage, door Nico kort voor zijn dood als nieuwe klant genoteerd, werd enige tijd een belangrijke afnemer.

Zomer 1950 had Fia een merkwaardige ontmoeting: op het tramstation van Zeist liep ze Heiman Rothschild tegen het lijf. Deze Amsterdamse kunsthandelaar was de holocaust ontlopen door tijdig naar Amerika te emigreren. Bij een bezoek aan Nederland was hij het spoor van Nico gevolgd en, zonder het adres precies te weten, op goed geluk naar Zeist gekomen. Gedurende anderhalf jaar was hij een goede klant, maar zijn wilde plannen (hij wenste de alleenverkoop, en wilde Fia naar San Francisco laten verhuizen) liepen op niets uit. Plotseling was hij spoorloos. Jaren later dook hij nog eens op vanuit  Zuid – Amerika en kocht nog een paar schilderijen als monster voor een nieuw kansloos project.

Eind 1951 kwam Outhuyse weer in beeld. Aanvankelijk maakte Fia voor hem zo goed mogelijk dezelfde stadsgezichten als Nico geleverd had (maar gesigneerd met alleen Bruynesteyn of S.Bruynesteyn), later werd hij afnemer van haar reguliere werk.

Ook eind 1951 werd haar zwager Fons Antheunissen een goede klant. Deze had een winkel aan boord van de Willem Ruys, het vlaggeschip van de Rotterdamsche Lloyd, en zette (tot 1960) de schilderijtjes in zijn vitrine. Het betrof vooral  iniatuurtjes   gesigneerd met S.B.

Terwijl Fia dus geen enkel afzetprobleem had, en haar zoon een studiebeurs had, was het leven toch allerminst een vetpot. De kennelijke oorzaak daarvan was, dat ze uit angst haar klanten te verliezen nooit prijzen durfde te verhogen en die op bijna vooroorlogs niveau bleven. In een prijslijstje uit 1955 variëren ze tussen 4 en  25, met een enkele uitschieter van  35. Het lijstje noemt de categorieën: Bloemstilleven; Antieke bloemen; Stilleven  Stadsgezicht; Landschap; Italiaans landschap; Boerderij-interieur; Oudhollands interieur; Kerkinterieur.

In de volgende jaren veranderde de klandizie wel: De oude klant Gazendam verdwijnt eind 1953, Spitzers begin 1958 uit het kasboek. Gazendam komt nog enige tijd terug rond 1963.
Daarentegen dienden zich twee andere belangrijke klanten aan:
Jacques Aa, een joodse kunsthandelaar uit Amsterdam, had het concentratiekamp overleefd en was na de oorlog naar Amerika vertrokken. Hij had zijn naam veranderd in Jack Alden, en had een kunsthandel gevestigd in New York (vanaf 1968 in New Orleans). Ook hij had het spoor gevolgd van Nico en het juiste adres in Zeist gevonden. De andere was de Lijstenfabriek Verno (H.J. van den Noord) te Zwanenburg, die optrad als tussenhandel voor een Australische afnemer.
Alden vanaf mei 1958, samen met Verno vanaf januari 1960 bepaalden het volledige beeld van Fia’s werk.

Het feit dat het overgrote merendeel van haar werk na Nico’s dood naar het verre buitenland gegaan is, maakt dat er op de Nederlandse markt niets van te vinden is. Ik weet dan ook niets van de voorstellingen (behalve de vage aanduidingen op het bovengenoemde prijslijstje) of van de gebruikte signaturen.

Een uitzondering daarop is het aan Alden geleverde werk, zowel omdat de volledige correspondentie met Alden bewaard is, als omdat er enkele schilderijen teruggekomen zijn. Om eenzijdigheid in zijn zaak te vermijden, verlangde Alden voor elk onderwerp een ander pseudoniem.
In totaal 1369 schilderijen in 12½ jaar. Tezamen met een nog ongeveer half zo grote productie voor Verno, mag dat een flinke prestatie genoemd worden. De prijzen waren hoger dan voordien, en varieerden tussen  8 en  50 gulden.

In de periode 1950 – 1970 heeft ze uiteraard ook nog wel schilderijen gemaakt voor privé-doeleinden. Te noemen zijn: twee
portretten van Nico, een kerkinterieur voor eigen gebruik een zeegezicht en een bloemstilleven  voor het huwelijk van haar zuster Bertha, drie bloemstillevens als cadeaus bij diverse gelegenheden ), twee wapenschildjes van de eigen familie.

Toen haar zoon in 1962 zijn studie voltooid had en een functie in Arnhem kreeg, verhuisde ze mee naar Arnhem. Na diens huwelijk in 1971 betrok ze samen met haar zuster Nel een  bejaarden woning indezelfde stad.
In augustus 1970 was ze gestopt met schilderen, mede omdat haar ogen haar in de steek lieten. Na een operatie aan beide ogen in 1972 was ze zo verheugd over de herwonnen gezichtsscherpte, dat ze nog één maal een goed schilderij maakte, voor haar zoon.

Kort na haar 80e verjaardag, op 7 oktober 1979, overleed ze in het Gemeente-ziekenhuis te Arnhem.

Na overlijden van Jack Alden werd diens kunsthandel door zijn zoon Michael overgenomen en later verkocht. Hij stichtte echter in 1972 in New Orleans weer een eigen soortgelijke zaak: Michael Alden Associates, Inc. .

tekst :  http://www.brucop.com/gallery/nederlands/