Petrus van Schendel  was de zoon van Gijsbertus van Schendel en Geertruida Brox. Na de dood van zijn vader verhuisde het gezin naar Breda. Op aanraden van een gepensioneerd legerofficier, die onder de indruk was van zijn talent, stuurde zijn vader hem naar de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten waar hij van 1822 tot 1828 een kunstopleiding volgde bij de historieschilder Matthieu van Bree.  In 1828 kreeg hij er een gouden medaille voor “doorzichtkunde” (perspectief);

Na zijn opleiding woonde hij een zeventiental jaren in Nederland (voor goede duiding moet men er wel van uitgaan dat in zijn studietijd Nederland en België één land vormden), waar hij vooral als portrettist naam maakte (Breda, 1828-1829; Amsterdam, 1830-32; Rotterdam, 1832-38; Den Haag, 1838-45). Vanaf 1827 stelde hij geregeld tentoon in de “Tentoonstellingen van Levende Meesters” in Den Haag, Rotterdam en Amsterdam en in de “Driejaarlijkse Salons” in Antwerpen, Brussel en Gent.

Omstreeks 1845 vestigde Van Schendel zich voorgoed te Brussel. Brussel had toen reeds een internationale uitstraling en hij kon er tevens kennismaken met de Franse kunst. Hij woonde er in de Paleisstraat 53 te Laken, buiten de Schaarbeekse Poort, en rond 1861 aan de Vooruitgangstraat 103.

Van Schendels Brusselse atelier bestond uit twee plaatsen: een hel verlicht vertrek voor het eigenlijke schilderwerk en daarnaast een ruimte die hij kon verduisteren en kunstmatig belichten naar gelang van de vereisten van het te schilderen onderwerp. Daar liet hij zijn modellen poseren.

Van Schendel trad driemaal in het huwelijk :

  • op 23 juli 1830 te Terheijden met Elisabeth Catherina Grasveld (Amsterdam – Brussel 21 maart 1850), bij wie hij dertien kinderen had,
  • op 30 april 1851 met Johanna Eyrond (Amsterdam 28 juli 1821 – Brussel 30 november 1853), bij wie hij twee kinderen had.
  • op 16 februari 1854 met Isabelle van Welder, weduwe Silvester Nique (Brussel 6 april 1809 – ?).

In 1881 werd zijn nalatenschap, waaronder vele tekeningen, aquarellen en ruim honderd schilderijen, geveild in Brussel. In zijn nalatenschap bevond zich eveneens de olieverfschilderij ‘De aanbidding der herders’, een reusachtig (onverkocht) werk : 4,38 meter hoog, 3,3 meter breed en 400 kg zwaar. Dit werd door de familie in bruikleen gegeven aan de Heilig Kruiskerk in Elsene , maar werd in 2008 in bruikleen gegeven aan het Bredas museum dat het werk zal restaureren.

Naast portretten, landschappen en zeegzichten, schilderde hij vooral bijbelse taferelen en genretaferelen. Met uitzondering van zijn allervroegste werk (1827-28) zijn het doorgaans nocturnes met maanlicht of kunstmatige lichteffecten bij kaarslicht of het licht van een toorts of een olielampje. Die genrestukken zijn vooral markttaferelen en interieurs bij kaarslicht (winkels, klaslokalen, werkplaatsen…), soms ook door de maan beschenen landschappen en marines. Dit was een zeer gewaardeerd genre die hem, zowel in het binnenland als in het buitenland, roem verschafte.





In deze bijbelse taferelen vinden we onderwerpen die een alibi vormen voor lichteffecten en doorgedreven clair-obscure effecten terug zoals in de “Aanbidding van de herders” in het Museum van Breda. Ook enkele occasionele werken zoals o.a. “De brand van de fabrieken Enthoven te Den Haag” liggen in die lijn. Zijn specifieke onderwerpskeuze leverde hem in België en Frankrijk de bijnaam “Monsieur Chandelle” (Mijnheer Kaars) op.

Eén van zijn grootste successen was het schilderij “Geboorte van Christus” (ontstaan 1858-60), dat door Lloyd in Londen werd tentoongesteld en via reproductiegrafiek bekend geraakte. Van Schendel was commercieel aangelegd en zijn werken, door zijn deelnames aan vele tentoonstellingen, vonden gretig aftrek in heel Europa. In die periode rond 1858 behoorde van Schendel, samen met Josef Israels, Diederik Jamin en Philip Sadee  tot de best betaalde schilders uit de Nederlanden.

In wezen was de clair-obscurkunst van Van Schendel een late uitloper van het carravagisme, dat in de 17de eeuw ook in Nederland tal van beoefenaars kende, zoals Gerrit Dou. Godfried Schalcken was toen een van de eersten die deze stijl systematisch aanwendde voor profane taferelen, zij die het nog vaak met een verborgen symboliek. In de 18de eeuw heeft vooral de Brit Joseph Wright of Derby systematisch effecten van kunst- en maanlicht (maanlicht, lamplicht, vuurtorens, vuurwerk, vulkanen, illuminaties) geëxploreerd.

Van Schendel is een typisch voorbeeld van een romantisch genreschilder die de keuze van zijn motieven om commerciële redenen bewust reduceerde tot één type: het lichteffecttafereel met clair-obscur. Zijn roem berust vandaag vooral toch op zijn wereldse genretaferelen : kaas-, vis-, fruit- en groentenmarkten bij avond. Die zijn echter nogal stereotiep en verraden een tamelijk arme inspiratie, wat overigens ook geldt voor talrijke kunstschilders uit die tijd. De bekoorlijkheid van de taferelen afzonderlijk en de vakkundige uitvoering maken echter veel goed en bovendien was het niet de bedoeling de productie samen te zien. Hij schilderde een groot aantal van deze markt- en straattaferelen.

Van Schendel beeldde daarnaast ook heel wat religieuze thematiek uit, religieuze historiestukken die zich lenen tot lichteffecten en clair-obscur.

Van Van Schendel zijn ook een reeks gewassen tekeningen in Oost-Indische inkt bekend, die naar alle waarschijnlijkheid niet zozeer voorstudies, maar veeleer een soort getekende catalogus van zijn geschilderd oeuvre vormden. Mogelijk hebben ze ook als model gediend voor het maken van xylogravures van zijn toch wel populaire oeuvre. De meeste xylogravures naar Van Schendel zijn gesigneerd. A. Doms.

Van Schendel heeft ook enkele – zeldzame – etsen gemaakt. S. Altmann (1822-90) was een leerling van Van Schendel

In 1869 gebruikte hij ook voor het eerst het effect van elektrisch licht : “Winters feest in de tuin van de Zoo te Brussel met Bengaals vuur en elektrisch licht”

Een klein aantal kunstenaars beoefenden hetzelfde genre als Van Schendel, nl. Andreas V. Vermeulen (1821-84), Wilhelmus J. Kerremans, J. Vaarberg, Johannes Rosierse (1818-1901), Petrus Kiers (1807-75), Thomas van Leent en Jan Hendrik van Grootvelt (1808-65).

Vanaf 1834 was Van Schendel lid van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam en van het schilderkunstig genootschap “Arti Sacrum” te Rotterdam. In 1839 behaalde Van Schendel een zilveren medaille in Den Haag en in 1842 een medaille in verguld zilver te Brussel, waar hij in 1845 de gouden medaille bekwam met een “Markttafereel bij maanlicht”. Hij behaalde eveneens gouden medailles te Parijs (1844 en 1847) en Manchester (1849). De Nederlandse en Franse vorstenhuizen kochten werk van hem aan (Nederland : “Mediterende Sint-Hiëronymus bij lamplicht”). Ook Koning Leopold I van Belgie voegde een werk van hem aan zijn collectie toe.

tekst:  http://nl.wikipedia.org/