VOS, Maria (geb. Amsterdam 21-12-1824 – gest. Oosterbeek 11-1-1906), schilderes. Dochter van Gerrit Vos, makelaar in roerende goederen, en Gerarda Bouwmeester (geb. ca. 1801). Maria Vos bleef ongehuwd.

Maria Vos werd geboren in Amsterdam, als enig kind, en groeide op in de Schipperstraat, tussen de Prins Hendrikkade en de Oude Waal. Ze volgde een opleiding tot huishoudster aan de ‘Stads Fransche Kostschool voor jonge juffrouwen’ in Weesp. Daar kreeg ze onderwijs in alles wat tot een deftige educatie behoorde, maar ook leerde ze tal van praktische vaardigheden. Hierdoor was ze in staat een zelfstandig bestaan op te bouwen, wat aansloot op haar eigenzinnig karakter. De kostschool had een tekentraditie – geïnitieerd door de tekenleraar Christiaan Andriessen – die voor Maria Vos een bron van inspiratie was. In 1841 ging zij in Amsterdam in de leer bij Petrus Kiers, vooral bekend als schilder van interieurs bij kaars- en landschappen bij maanlicht. Zij kreeg van hem les in tekenen, schilderen en aquarelleren. Haar vroege studiebladen uit 1844 en 1848 laten waterverftekeningen van schelpen, vogelveren en eieren zien. Op twintigjarige leeftijd (1844) zond Maria werk in voor een tentoonstelling van ‘levende meesters’ te Amsterdam. Vanaf dat moment werd haar werk regelmatig tentoongesteld. Zij volgde verder geen opleiding aan een academie of tekenschool meer. Mogelijk heeft zij nog les gehad van J.G. Schwartze (Hennus, 81).

In Amsterdam begon Maria Vos een atelier op de Oude Schans, op de hoek van de Korte Koningstraat. Via Petrus Kiers leerde zij tal van kunstenaars kennen. Ook ontmoette zij via hem de jongste zuster van zijn vrouw, Adriana Haanen  (1814-1895), een schilderes van bloemstillevens, met wie ze haar hele leven bevriend zou blijven.

In 1853 verhuisde Maria Vos naar Oosterbeek. Ze betrok een atelier ‘in de Eng’ dat ze huurde van de St. Nicolaasbroederschap. Op een tekening uit die tijd – ‘Maria Vos in haar atelier aan de Eng te Oosterbeek’ (Rijksmuseum) – zien we haar aan het werk. Zij begon landschappen en stillevens te schilderen, maar tekende ook dorpsgenoten in hun dagelijkse omgeving. Daarnaast gaf zij schilder- en tekenlessen, ondermeer aan de kinderen van de Amsterdamse bankier en kunstverzamelaar Christiaan Pieter van Eeghen (1816-1889) die in de omgeving een buitenhuis had. Maria Vos maakte deel uit van een kunstenaarskolonie die het Gelderse Barbizon werd genoemd. In de zomer van 1863 verhuisde haar vriendin Adriana Johanna Haanen naar Oosterbeek. Samen huurden zij twee ateliers aan de Weverstraat 88. Voor beiden was het het begin van een zeer productieve periode. Het werk van Maria Vos werd tijdens haar leven veelvuldig geëxposeerd, in binnen- en buitenland.

In 1870 lieten Maria Vos en Adriana Haanen een eigen huis bouwen: villa Grada. Na de dood van Adriana in 1895 bleef Maria daar alleen wonen. De meeste schilders hadden inmiddels de streek verlaten of waren overleden. Maria Vos bleef tot op hoge leeftijd actief en hield contact met collega’s. De winters bracht ze veelal door in Amsterdam en Den Haag. In 1898 werkte zij nog mee aan de grote tentoonstelling van Vrouwenarbeid. Zij schilderde in de laatste jaren van haar leven haar ‘Album van oud Oosterbeek’, veertien aquarellen die getuigen van haar liefde voor het dorp. In 1904, op haar tachtigste verjaardag, werd zij door vrienden en collega’s gehuldigd: een deputatie van zeventig kunstenaars, leden van Arti et Amicitiae te Amsterdam en Artibus Sacrum in Arnhem, kwam naar villa Grada.

Maria Vos stierf op 11 januari 1906, drie weken na haar 81ste verjaardag. Onder grote belangstelling werd ze begraven op de nieuwe begraafplaats aan de Van Limburg Stirumweg in Oosterbeek. Haar graf is inmiddels geruimd.

Reputatie

Maria Vos staat te boek als stillevenschilderes. Ze schilderde vooral stillevens van bloemen, groenten en dood gevogelte en behoort hiermee tot de top van de negentiende-eeuwse schilderessen (Van der Kuil, 25). In 1904, bij haar tachtigste verjaardag, omschreef Jeronimo de Vries haar als een bescheiden persoon, met een lange staat van dienst die de hulde van haar collega-kunstenaars volkomen verdiende. Van haar werk ging veel verloren, maar dankzij haar grote productie is toch nog het nodige bewaard gebleven. In 1973 werd een tentoonstelling aan haar gewijd in het Stedelijk Museum te Zutphen. Er waren behalve stillevens ook schetsboekjes te zien met tekeningen van haar reizen langs de Rijn, door België en naar Parijs, afkomstig uit particuliere verzamelingen van onder meer de familie Van Eeghen. In 2002 organiseerde het Arnhems Gemeentemuseum opnieuw een tentoonstelling van haar werk.

bron: http://www.inghist.nl/