Als zoon van de beroemde Haagse School schilder Jozef Israels, wiens invloed duidelijk terug te vinden is in zijn eerste werken, en Aleida Schaap groeide Isaac op in een kunstenaarsmilieu tijdens het fin de siêcle van de 19de eeuw.

Isaäc Israels kwam uit een Amsterdams orthodox-joods milieu, met een grote voorliefde voor schilderkunst en literatuur. Met zijn ouders bracht hij elk jaar een bezoek aan de Franse Salon in Parijs. In 1871 verhuisde hij met het gezin naar ‘s-Gravenhage, waar hij tot zijn dertiende jaar op school was. Isaäc oefende zich daarna zowel in het lezen en spreken van een aantal talen, gestimuleerd door de vele familiereizen, als in het tekenen en schilderen. Wat betreft het laatste kreeg hij enig onderricht van zijn vader en bezocht hij een korte periode (1878-1880) de Haagse academie, waar hij contact kreeg met o.a. Bauer en Dijsselhof.

In deze tijd schilderde en tekende hij voornamelijk portretten en militairen. Hij kreeg al snel bekendheid met zijn portretten en militaire onderwerpen in de min of meer gedetailleerde impressionistische stijl van die tijd, die aansloot bij de schildersstijl van zijn vader. In 1882 verwierf zijn De begrafenis van de Jager een eervolle vermelding in de Parijse Salon en een gunstige kritiek in Le Figaro. Ook in eigen land behaalde hij in 1883 op de Internationale tentoonstelling in Amsterdam een hoge onderscheiding. Toch wist Israels, hoewel zijn kansen voor het grijpen lagen, hieruit onvoldoende munt te slaan.

Tegen de zin van zijn ouders verhuisde hij in 1887 van Den Haag naar Amsterdam, waar hij al een jaar lessen gevolgd had aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten. Isaäc wilde niet voortgaan in het spoor van zijn beroemde vader, maar had als doel een eigen stijl te zoeken. In 1885 verliet hij Den Haag en vestigde zich in Amsterdam. Na zijn opleiding aan de Rijksacademie betrok hij een atelier in de Eerste Parkstraat. Daar werkten ook Heverman, Breitner en Witsen.

Isaac wist zich al spoedig los te maken van het stemmige tonalisme van de Haagse School en van het soms wat sentimentele karakter van het werk van zijn vader Jozef Israels. Hij legde zich toe op vastleggen van een impressie; hij probeerde schetsmatig een moment uit het volle leven te grijpen en hiervan een samenvattende karakteristiek te geven. Het ging hem niet om gedetailleerde afwerking, maar het onderwerp bleef het belangrijkst. Dit in tegenstelling tot het Franse impressionisme, bij wie het vooral ging om een ver uitgewerkt licht-, zon- en kleureffect. Met deze stijl behoorde hij tot het zg. Amsterdams-impressionisme, van wie Breitner de belangrijkste vertegenwoordiger was.

Isaacs werk toont duidelijk verwantschap met dat van Breitner, met wie hij een tijdlang in het hetzelfde huis een atelier had. Andere voor hem invloedrijke tijdgenoten zijn de Franse schilders Manet, De Toulouse-Lautrec en Degas en de Duits-joodse schilder Max Liebermann, die veel contact had met de familie Israels. Isaac Israels wordt wel Hollands enige impressionist genoemd. Hij was een tekenaar in hart en nieren; schilderen beschouwde hij als ‘tekenen met olieverf’. Hij schilderde graag nat in nat en probeerde het moment van een beweging of een stemming vast te houden.

Isaac Israëls maakte diverse reizen naar het buitenland. Parijs werd bezocht in 1889 en Hamburg in 1891.

Tijdens zijn beginperiode in Amsterdam kwam Isaäc aanvankelijk tot weinig resultaat, hetgeen vooral zijn moeder zorgen baarde. Hij werd opgenomen in de kring van Tachtigers en had vriendschappelijke omgang met de letterkundige Frederik van Eeden en sloot hechte vriendschap met de schrijver Frans Erens. Met de laatste zwierf hij ‘s avonds en ‘s nachts door Amsterdam, waar zij kroegen en danshuizen bezochten. Hier ontdekten ze nieuwe onderwerpen voor hun werk. Ook Amsterdamse vrouwen en meisjes en stadsgezichten met figuren vormden in deze periode belangrijke studies voor Isaacs schilderijen. Na de dood van zijn moeder in 1894 reisde hij met zijn vader en vriend Frans Erens naar Spanje en Noord-Afrika.

Zijn mogelijkheden werden groter toen hij in 1894 toestemming van de burgemeester van Amsterdam kreeg om buiten te gaan schilderen. Het atelier maakte plaats voor de straat: een reeks stadsbeelden dateert uit deze periode.

Van 1894 tot 1902 werkte Isaäc ‘s zomers veel in Scheveningen, waar hij samen met zijn vader een gehuurd huis bewoonde en vooral strandscènes schilderde. Hij benaderde in deze periode zijn oorspronkelijk in 1877 aan Thérèse Schwartze geformuleerde doelstelling, om bij voorkeur in en naar de natuur te werken. Zijn stijl wijzigde zich daarna niet ingrijpend meer.

Isaac Israels koos voor een ongeflatteerde weergave van het moderne leven, bij voorkeur het leven van de grote stad. Hij had een voorliefde voor Amsterdam, met zijn rumoerige uitgaansleven, maar hij werkte ook graag in Londen, Parijs en Rome.

ca 1900 kreeg hij dank zij Thérèse een introductie bij het Amsterdamse modemagazijn Hirsch, waar hij naaisters, mannequins en pasdames schilderde.

In 1904 vertrok Israëls naar Parijs, waar hij een atelier aan de Boulevard de Clinchy betrok. Dit atelier zou hij tot 1925 aanhouden. Zijn werk in de Franse hoofdstad onderbrak hij af en toe om een bezoek aan o.a. Duitsland, Zweden en Zwitserland te brengen.

Van 1913 tot 1915 verbleef hij, evenals in Parijs, met tussenpozen in Londen. Door de oorlog mocht hij daar niet buitenshuis werken. Isaäc maakte vooral veel schilderijen van paardrijders in Hyde Park, maar ook van boksers en ballerina’s. Daarna volgde een verblijf in Zwitserland, waarna hij zich weer in Nederland vestigde en afwisselend in Den Haag, Amsterdam en Scheveningen verbleef.

Vooral in Parijs vond Isaac Israels wat hij zocht: danshuizen, cabarets, en de elegante wereld van de haute couture. Israels wist toegang te krijgen tot exclusieve modehuizen als Paquin en Drecoll, waar hij niet alleen de welgestelde cliëntèle observeerde, maar ook het werk van de naaisters en hoedenmaaksters vast kon leggen. Ook volgde Isaac Israels deze modistes en modinettes in hun middagpauze in de nabijgelegen Tuilerieën.

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, keerde Isaac Israels terug naar Nederland, waar hij opnieuw blijk gaf van zijn grote belangstelling voor de modewereld. De zusjes Ippy en Gertie, mannequins van Hirsch, waren zijn meest geliefde modellen. Hoewel Isaac Israels in zijn vroege werk de mode tot in haar details karakteriseerde, gaf hij later het modesilhouet juist schetsmatig weer.

In 1921/1922 maakte hij een reis naar Indië en bezocht Solo, Batavia en Bali. Op Bali schilderde hij veel vrouwenfiguren. Ook werkte Israels als portretschilder aan het hof van de Mangkoenegara en in de kraton van de Soenan.

Na terugkeer uit Indië vestigde hij zich definitief in het huis van zijn overleden ouders aan de Koninginnegracht 2 in Den Haag. Hij zou hier – afgezien van een aantal korte reizen – blijven wonen tot zijn overlijden aan de gevolgen van een aanrijding. In deze laatste Haagse tijd verwierf hij in Nederland veel erkenning: een groot aantal portretopdrachten volgden. Ook hield hij zich nog altijd bezig met onderwerpen als circus, café’s, cabaret en toneel. In 1928 won hij een Olympiade Kunstprijs voor zijn werk Ruiter met de rode jas. Van zijn werk werden zeer regelmatig tentoonstellingen georganiseerd bij kunsthandels en kunstgenootschappen.

Op 8 oktober 1934 overleed de kunstenaar tengevolge van een aanrijding enkele dagen eerder.

Het omvangrijke oeuvre van Isaäc Israels (3000-4000 schilderijen en duizenden tekeningen, aquarels en pastels) kan min of meer als op zich zelf staand beschouwd worden. Nieuwe stromingen in de schilderkunst beïnvloedden hem niet meer, hij hield vast aan zijn eigen eenmaal verworven stijl. Van zijn kant was er ook geen sprake van vernieuwende invloed, en men kan dan ook geen duidelijke volgelingen aanwijzen. Hij heeft ook nooit zijn ideeën over kunst gepubliceerd.

Zijn vriend Frans Erens karakteriseert Isaäc als een goed en rechtschapen mens, die niemand leed kon aandoen, niet van vormelijkheid en conventies hield en altijd op zoek was naar het ‘echte’ in alles. Hij leefde sober en teruggetrokken – was snel te kwetsen; hij was jood en klein van stuk – en dikwijls moeilijk te doorgronden voor familie en vrienden. Hij maakte daardoor een gereserveerde indruk.

Zonnige strandgezichten met ezeltje-rijdende kinderen, portretten van beroemde actrices en schrijfsters, kermis- en circusscènes met worstelaars en acrobaten, stadsgezichten met het Amsterdamse en Parijse straatleven, mondaine dames in de nieuwste mode en café-interieurs met dansende paren of een eenzaam drinkende vrouw typeren het oeuvre van Isaac Israels; hij maakte portretten van beroemdheden als Mata Hari en feministe-arts Aletta Jacobs, maar schilderde ook anonieme Amsterdamse straatmeiden, hoedenmaaksters en telefonistes.

Israels had aandacht voor de zelfkant van de samenleving; ‘s-nachts ‘omgaan’ in de stad was zijn geliefde bezigheid. In zijn atelier schilderde hij de arbeiders, cafébezoekers, en de dansende meisjes in de danshuizen naar de schetsen die hij ‘s-nachts had gemaakt. Buiten schilderde hij voorbijgangers op de grachten in Amsterdam, zonnebaders, kinderen en ezeltjes op het strand in Scheveningen, parkgezichten met ruiters in het Bois de Boulogne te Parijs, amazones in het Londense Hyde Park en wandelaars in het Amsterdamse Oosterpark. In veel van deze werken gebruikte hij pastel- of aquareltechniek. Het is opmerkelijk dat zijn werk in Frankrijk weinig waardering vond, terwijl het naar Hollandse begrippen erg ‘Frans’ aandeed.

Israëls had een brede belangstelling, maar hield zich toch een tijdlang bezig met een bepaald onderwerp. Hierdoor ontstonden soms series met hetzelfde onderwerp.

Tekst:  Kunstbus.  http://www.kunstbus.net/