Breitner kwam na lagere school en ULO eerst bij zijn vader, daarna bij de graanhandel Palthe & Haentjes op kantoor. Al vroeg bleek dat de jongen een fervent tekenaar was en zijn vader stemde in 1875 met zijn wens in naar de tekenacademie te gaan, mede op voorspraak van de kunstenaar Charles Rochussen. In januari 1876 schreef Breitner zich in op de Haagsche Academie van Beeldende Kunsten. In oktober van het daaropvolgende jaar behaalde hij zijn MO-akte tekenen. Nog tot 1880 op deze academie cursussen volgend, gaf hij op zijn beurt in het cursusjaar 1878/1879 avondlessen bij het Leidse Kunstgenootschap Ars Aemula Naturae. In de winter van 1882/1883 volgde hierop een leraarschap aan de Rotterdamse Academie. Kort tevoren, in 1880, woonde Breitner enige tijd op het huis Oud Rozenburg in Den Haag bij Willem Maris en in dat zelfde jaar werd hij ook toegelaten als lid van Pulchri Studio in Den Haag.

Breitners contacten met kunstenaars van de Haagse School, de Marissen, A. Mauve en H.W. Mesdag – Breitner schilderde voor hem onder meer de artillerie en het dorp Scheveningen op het in 1881 voltooide Panorama aan de Zeestraat in Den Haag – hebben in sterke mate zijn verdere ontwikkeling beïnvloed. Had hij aanvankelijk nog de wens gekoesterd een historieschilder te worden, in 1882 werd het duidelijk dat hij zijn ontplooiing in ruimere richting zocht. Mogelijk door zijn contact met Vincent van Gogh bleek deze andere gerichtheid: ‘Ik zelf, Ik zal de mensch schilderen op de straat en in de huizen de straten en huizen die ze gebouwd hebben ‘t leven vooral. Le peintre du peuple zal ik trachten te worden of liever ben ik al omdat ik ‘t wil. Geschiedenis wild[d]e ik schilderen en zal ik ook maar de Geschiedenis in haren uitgebreidsten zin…’ (brief aan A.P. van Stolk van 28 maart 1882). Reeds in zijn Haagse oeuvre vindt men als belangrijkste themata voor zijn werk soldatenscènes – veel manoeuvres van de artillerie – stadsgezichten en arbeidende mannen en vrouwen.

Ook in Parijs, waar Breitner in 1884 een halfjaar verbleef om zich op het atelier van P. Cormon verder in ‘het métier’ te bekwamen, schilderde hij in donkere tonen zwoegende werkpaarden of afbraakscènes. Hoewel hij voorbijging aan het kleurige Franse impressionisme, vond hij wel inspiratie in de Franse literatuur: E. Zola, G. Flaubert, Edmond en Jules de Goncourts. Van de beide Goncourts is het boek Manette Salomon voor Breitner van grote betekenis geweest; hun naturalistische beschrijving van het stadsleven sloot aan op Breitners eigen behoefte het gewone leven van alledag uit te beelden.

In 1886 trok Breitner naar Amsterdam, waar hij tot aan zijn dood in 1923 – op meer dan dertien adressen en – met een korte onderbreking van twee jaar, waarin hij in Aerdenhout woonde – zou blijven. In deze stad, die toen sterk groeide en zich op het gebied van industrie, handel en bedrijf vernieuwde, werd Breitner als het ware de beeldende rapporteur van heel dit pulserende en zich snel ontwikkelende stadsleven. Zijn kort verblijf (1886) op de Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam, waar Breitner zich onder prof. A. Allebé verder wilde bekwamen, had hij eigenlijk niet meer nodig: men beschouwde hem daar als volleerd. Amsterdam zelf werd voor Breitner de eigenlijke leerschool. Hij ‘zag’ en schilderde op eigen wijze die stadsgroei en dat stadsleven, niet altijd topografisch nauwkeurig, maar vooral met grote bewogenheid voor kleur en beweging. Zo schilderde hij inderdaad het leven van het gewone volk, dat grauw en somber en in werk en bestaan moeizaam was. Breitner werkte overigens niet vanuit een sociale betrokkenheid, maar hij keek tegen dit leven veeleer van buitenaf met grote gevoeligheid aan, alles ondergaande als ‘een allerindividueelste emotie’. In dit opzicht voelde hij zich sterk verwant met de groep van de Tachtigers, die hij door de schilder Willem Witsen leerde kennen. Breitners visie op het Amsterdamse stadsleven had invloed op hun literaire werk. In deze jaren schilderde Breitner naast de stadsgezichten en straatscènes ook naakten en stillevens, en omstreeks 1893 begon hij met een serie schilderijen van Japanse meisjes, een geliefd thema van vele schilders in die dagen.

Op het hoogtepunt van zijn carrière werd in 1901 bij Arti et Amicitiae te Amsterdam een eretentoonstelling van zijn werk gehouden. Ter gelegenheid daarvan werd een groot gedenkboek uitgegeven, waarin A. Pit, W. Steenhoff, J. Veth en W. Vogelsang zijn leven en werk beschreven. Tot 1914 werkte Breitner op het in 1898 door de aannemer C.J. Maks Jzn. gebouwde atelier op het Prinseneiland, waar grote doeken ontstonden, die echter – op een enkele uitzondering na – het felle en hartstochtelijke missen dat het werk vóór 1900 kenmerkte. Het was alsof hij zijn doel had bereikt.

De weg is voor Breitner moeizaam geweest. De Haagse jaren werden gekenmerkt door een grote twijfel aan eigen kunnen en aan de richting die hij als schilder wilde vinden, academisch, conventioneel (historieschilder) of modern, tonalistisch (schilder van het eigentijdse leven). In de pers kreeg Breitner kritiek op zijn ‘tekening’, op de ‘afdwalingen van het impressionisme’. Zijn beschermheer, de Rotterdamse graanhandelaar A.P. van Stolk, trachtte Breitner ook steeds te overtuigen dat hij moest schilderen zoals de algemene smaak voorschreef. Breitner ging een andere weg en dat leidde tot de breuk met Van Stolk. Vanaf 1886 kreeg Breitner, vooral in Amsterdam, steeds meer erkenning. In dat jaar kocht het Rijk het grote schilderij De Gele Rijders aan, dat thans nog in het Rijksmuseum te zien is. Carel Vosmaer schreef over dit werk in De Nederlandsche Spectator, 16-10-1886: ‘Maar welk een vaart en storm in de beweging, welk een gevoel voor de poëzie van zulk een tintelende, stoffige, woelige groep!’ In hetzelfde jaar werd Breitner uitgenodigd door de avantgardistische Société des XX (Vingtistes) zijn werk in Brussel te tonen. Ook in de pers kreeg hij steeds meer aandacht. Op zijn stijl heeft die erkenning invloed: hij krijgt een vaste manier van schilderen, gekenmerkt door brede en felle toetsen, door hevige kleur- en lichtcontrasten, sterke accenten en vaak diagonale composities. De motieven worden in grote lijnen en in hun essentiële kenmerken weergegeven. Deze stijl komt overeen met het karakter van de kunstenaar. Mensen die Breitner hebben gekend, beschreven hem als ‘vaak fel en bruusk in zijn optreden, soms plotseling stug en gesloten, levend tusschen vlagen van hartstocht en moedeloosheid en steeds geheel en al door geestdrift voor zijn kunst bezeten.’ (A. van Schendel [jr.], Breitner (Amsterdam, [1939]) l). Zijn vele schetsboekjes uit de Haagse en Amsterdamse tijd, gevuld met pen, potlood- en zwartkrijtstudies (bewaard in het Rijksprentenkabinet te Amsterdam), getuigen van de grondige voorbereiding van zijn schilderijen, in de Amsterdamse jaren nog vergemakkelijkt door de eigen fotografie, die Breitner als hulpmiddel toepaste. De vele foto’s die hij in Amsterdam van mensen en stadsgezichten maakte vormen een historisch document van het leven in die stad aan het eind van de 19e eeuw, maar ze tonen ons eveneens Breitners visie.

De betekenis van Breitner wordt in Nederland algemeen erkend – van zijn werk worden telkens weer tentoonstellingen gemaakt en in de kunsthistorische literatuur wordt Breitner gezien als een van de belangrijke schilders in Nederland aan het eind van de 19e eeuw – maar internationaal is hij als kunstenaar minder bekend. Daarvoor was Breitner zelf ook te weinig internationaal georiënteerd en sluit zijn werk niet aan bij de nieuwe kunstrichtingen die rond 1900 ontstonden. Zijn invloed bleef beperkt tot Nederlandse schilders en is onder meer terug te vinden in het vroegste werk van Piet Mondriaan, Bart van der Leek en Jan Sluyters.

Tekst: ING-Biografisch woordenboek

Breitner, G.H. – Schendel, Dr. A. van. Breitner. Amsterdam, Becht, no date, Wrappers, d/j, 26 x 19 cm., 60 pp. with 63 ills. in b/w.

Breitner, G.H. – Hefting, P.H. G,H. Breitner in zijn Haagse tijd. Utrecht, Haentjens Dekker & Gumbert, 1970. Wrappers, 24 x 19 cm., 160 pp. with some b/w ills..

Breitner, G.H. – George Hendrik Breitner. Gemälde Zeichnungen Fotografien. Köln, Rheinland-Verlag, 1977. Catalogue, wrappers, 20 x 20 cm., 202 pp. with(col.) ills.

BREITNER,GEORGE H. Catalogus 1947. Breitner en Amsterdam. Amst., 1947. 20 pp. 32 plts.

BREITNER,GEORGE H. Catalogus 1956. Breitner. Haarlem, Vishal. 22 pp. 4 ills.

BREITNER,GEORGE H. Catalogus 1957/58. Breitner tussen de schilders van Amsterdam. Amst., Stedelijk Museum.
Catalogus 178. 43 pp. 37 ills.

BREITNER,GEORGE H. Catalogus 1983. G.H.Breitner 1857-1923. Aquarellen en tekeningen. Laren, 1983. 40 pp. Ills.

BREITNER,GEORGE H. Hefting,P.H. G.H.Breitner. Amst., 1968. 19 pp. 28 plts (4 col.). Wrapp. (Art et architecture
aux Pays-Bas).

G.H.Breitner in zijn Haagse tijd. Utrecht, 1970. 158 pp. 293 ills. Wrapp.

BREITNER,GEORGE H. Hefting,P.H. & C.C.G.Quarles van Ufford. Breitner als fotograaf. Rotterdam, 1966. 28 pp.
6 figs & 152 ills.

BREITNER,GEORGE H. Osterholt,A.B. Breitner en zijn foto’s. Amst., 1974. 100 pp. Ills. Boards.

BREITNER,GEORGE H. Pols,Ivor V. George Hendrik Breitner. These. Amst., 1966. 185 pp. 5 ills.

BREITNER,GEORGE H. Schendel,A.v. Breitner. 4th.ed. Amst., w.d. 60 pp. 63 ills. Wrapp. (Palet serie)

BREITNER,GEORGE H. Veen,Anneke. G.H.Breitner. Fotograaf en schilder van het Amsterdamse stadsgezicht. Amst.,
1997. Text & ills.