Een zeer veelzijdig kunstenaar, zo mag hij genoemd worden. Pionier op het gebied van de houtsnijkunst, een van de eersten in Nederland die zich bekwaamde in de batiktechniek, vernieuwend meubelontwerper en een vakkundig kunstschilder. Dit laatste aspect wordt duidelijk bij het grote publiek wat ondergewaardeerd. Mogelijk zal de komende tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum daar verandering in brengen. Het is bekend dat de Nederlandse negentiende-eeuwse schilderkunst de laatste decennia sterk aan waardering heeft gewonnen. De hoge prijzen die tegenwoordig voor veel van deze werken moeten worden betaald spreken voor zich. Aanvankelijk gold deze waardering vooral de Romantiek en de Haagse School, maar tegenwoordig wordt op de veiling ook voor het werk van sommige Tachtigers fors betaald. In veel gevallen gebeurt dit door particulieren, waardoor zich het merkwaardige feit voordoet dat dergelijk werk vaak goedkoper kan worden verkregen in de kunsthandel, maar dit terzijde. Vooral schilders als Breitner, Isaac Israels en Bauer zijn opvallend populair. Deze waardering is volledig terecht, want hun schilderijen bestaan over het algemeen uit levendige, sfeervolle voorstellingen, die door hun gedurfde, vlotte schildertrant getuigen van een groot technisch vernuft en dat is lekker om naar te kijken. Maar genoemde schilders staan daarin niet alleen en het mag minstens zo opvallend heten dat verschillende andere schilders van Tachtig, met vergelijkbare kwaliteiten, nog niet diezelfde waardering genieten. Gerrit Willem Dijsselhof (1866-1924) is zo iemand. Bij zijn leven veel geprezen, niet in de laatste plaats door zijn vakbroeders, maar desondanks tegenwoordig bij het grote publiek amper bekend. Dat heeft natuurlijk als voordeel dat zijn werk nog alleszins betaalbaar is, maar het geeft een vertekend beeld van zijn plaats in de Nederlandse kunstwereld aan het einde van de negentiende eeuw. Opleiding Dijsselhof was een uiterst veelzijdig kunstenaar. Hij was een pioneer op het gebied van de houtsnijkunst, een van de eersten die zich in Nederland bekwaamde in de batiktechniek, een vernieuwend meubelontwerper en een vakkundig en origineel kunstschilder. Deze diversiteit van activiteiten vond zijn oorsprong in de leergierigheid van de jonge Gerrit Willem, die men gereflecteerd ziet in zijn brede opleiding. Hij kwam allereerst in de leer bij de zeeschilder jhr. J.E. Heemskerck van Beest, ging vervolgens naar de Haagse Academie en verhuisde tenslotte naar Amsterdam, waar hij achtereenvolgens de Rijksnormaalschool voor het Teekenonderwijs en de Rijksschool voor Kunstnijverheid bezocht. Op deze laatste school was hij leerling in de boetseerklas en met zijn klasgenoten aldaar, Theo Nieuwenhuis, Mendes da Costa en Lambertus Zijl, richtte hij de vereniging ‘Labor et Arts’ op. Zij kwamen bijeen in het atelier van Mendes da Costa en later, na het behalen van hun diploma’s in 1887, in het atelier van de schilder Maurits van der Valk. Hier kwamen de vier vrienden in contact met andere jonge Amsterdamse kunstenaars als Isaac Israels, Jan Veth en Willem Kloos, bespraken zij de nieuwste ontwikkelingen in de beeldende kunst en groeide Dijsselhof uit tot een pleitbezorger van de ideeën van William Morris en Walter Crane, de grondleggers van de Arts-and-Craftsbeweging. Handwerk Binnen de Arts-and-Craftsbeweging leefde het geloof in een nieuwe samenleving en daarbij hoorde een nieuwe kunst die niet meer gericht was op het individu, maar op de gemeenschap en de samenleving. Het kapitalisme had niet alleen tot desintegratie van de maatschappij en uitbuiting van de arbeidende klasse geleid, maar daarmee ook tot een cultuurcrisis en tot het verval van de kunsten. Door het wegvallen van de ambachtelijke productie en de opkomst van de massa-industrie was het gevoel voor zuivere vorm en harmonie teloor gegaan. Dijsselhof was een idealist en een liefhebber van het eerlijke handwerk en hij onderschreef deze opvatting volledig. Het is dan ook niet toevallig dat hij de versiering van Jan Veths vertaling van Walter Crane’s ‘Claims of Decorative art’ voor zijn rekening nam. Houtsnedes Dit boek, in 1893 onder de titel ‘Kunst en Samenleving’ uitgegeven door Scheltema & Holkema’s Boekhandel te Amsterdam, groeide door de elegante houtsnedes van Dijsselhof uit tot een voorbeeld voor tal van jonge sierkunstenaars. De ingenaaide en de gebonden editie van dit boek hadden elk een ander uiterlijk gekregen, die overigens in beide gevallen een mooie eenheid met het binnenwerk vertoonde door de consequente toepassing van symmetrische kop- en sluitvignetten. Alleen met de gebruikte letter, een Caslon, genoemd naar zijn ontwerper, de Engelsman William Caslon, was Dijsselhof niet zo gelukkig en hij ondernam verschillende pogingen een eigen lettertype te ontwerpen dat met zijn houtsneden in overeenstemming zou zijn: de Hei-, Klei-, en Wei-typen. Een jaar eerder had Dijsselhof overigens ook al blijk gegeven van zijn verfijnde houtsnijtechniek met zijn diploma voor de Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels. Deze opdracht was voortgekomen uit een prijsvraag en zijn kunstbroeders C.A. Lion Cachet en T. Nieuwenhuis sneden eveneens een dergelijk diploma. Het zijn alle drie prachtige prenten geworden en lange tijd heeft men niet geweten aan welk ontwerp de vereniging uiteindelijk de voorkeur had gegeven. Maar toen enkele jaren geleden het diploma van Dijsselhof uitgeschreven aan Frederik Muller & Co. opdook, werd duidelijk dat men zijn ontwerp als het meest geslaagd had beschouwd. Interieurontwerpen De liefde van Dijsselhof voor het ambachtelijke handwerk blijkt eveneens uit zijn interieurontwerpen. In 1898 besloten de twee firmanten van de kunsthandel Van Wisselingh & Co., E.J. van Wisselingh en Klaas Groesbeek, samen met Dijsselhof, Lion Cachet en Nieuwenhuis een meubelwerkplaats op te richten. De drie kunstenaars deelden de verantwoordelijkheid voor deze werkplaats. Hun werkzaamheden bestonden uit het ontwerpen en laten uitvoeren van meubels en betimmeringen en de hierop toegepaste decoratie. Deze ontwerpen blinken over het algemeen uit door een uiterst gedetailleerde versiering en rijk materiaalgebruik. Dijsselhof was van de drie degene die zich het meest bezig hield met de constructie. In de kamer die hij ontwierp voor dr. W. van Hoorn (nu Gemeentemuseum, Den Haag) is de soliditeit van zijn meubels opvallend. Het is echter vooral in de gebatikte wandbespanningen met gestileerde pauwen, herten en flamingo’s dat Dijsselhof dezelfde beheerste verfijning aan de dag legt als in zijn decoratieve boekvignetten en het is op dit terrein van de ambachtskunst dat hij wederom naam maakte als vernieuwer. Schilderkunst De meubels die Dijsselhof bij de firma Van Wisselingh & Co. maakte zijn tegenwoordig gezochte verzamelobjecten, maar destijds liep deze exclusieve ambachtelijke werkplaats uit op een financiële mislukking, met als gevolg dat Dijsselhof in 1903 de firma verliet om zich geheel aan het maken van schetsen en schilderstukken van aquaria te wijden. Daar was hij al jaren eerder mee begonnen. In 1891 debuteerde hij als schilder op een tentoonstelling, welke georganiseerd was door G.H. Breitner. Ook toen waren zijn onderwerpen voornamelijk waterbeesten. Hij exposeerde er olieverfschilderijen van ponen, tekeningen van kreeften en palingen, aquarellen van karpers, enzovoorts. Het bleek een enorm succes. In een paar dagen was zowat alles verkocht, meest aan collega-artiesten. Jan Veth schreef bij die gelegenheid over hem: ‘Ik had werkelijk niet gedacht, dat het werk van Dijsselhof zóó goed zou zijn, zoo rom-en-tom echt. (…) Er is in wat Dijsselhof kan een veelzijdigheid, zooals men zelden vindt, een samengaan van kwaliteiten die elkaar vaak uitsluiten. Zijn teekening is tegelijkertijd sterk gearreteerd en geheel spontaan, zeer konstrueerend en soms heel elegant-luchtig, dekoratief qua kleur en toch kras van uitdrukking, globaal en niettemin subtiel van trek.’ Misschien is het die veelzijdigheid enerzijds en zijn principiële standvastigheid anderzijds die hem belemmerd hebben als schilder bekend te worden bij het grote publiek. Want als schilder is Dijsselhof zijn hele verdere leven geboeid gebleven door dit ene onderwerp: de troebele, gewichtloze wereld onder water en deze wereld spreekt de meeste mensen minder aan dan de stadsgezichten van Breitner, de zonnige stranden van Israels of de oosterse taferelen van Bauer. Maar de wijze waarop Dijsselhof deze sprookjeswereld heeft weten weer te geven is van eenzelfde virtuositeit als van de bekende meesters.

Idealisme en vasthoudendheid als belemmering voor succes De veelzijdigheid van Gerrit Willem Dijsselhof (1866-1924)
december 2001   Jaap Versteegh in Kunst en Antiekjournaal   http://www.pygmalion-art.com/