Dirk Smorenberg kwam uit een gezin met vijf kinderen. Met zijn ouders en vier zusters woonde hij in Alkmaar. Marie was de oudste telg; Ans, de jongste, logeerde vaak in Loosdrecht. Zijn tweede zuster, Line (Nicoline), zou later bevriend raken met zijn vriend collegaschilder Filarski. Corrie, die na hem kwam, is jong gestorven; Dirk maakte een mooi portret van haar, waar hij erg aan gehecht was. De wens om van tekenen zijn beroep te maken, stuitte op bezwaren bij zijn vader. Die vond dat geen echt vak; zelf was hij steenhouwer van beroep. Dirk werd naar zee gestuurd; in 1897 ging hij bij de marine; ruim drie jaar later stapte hij over naar de artillerie. Daar bleef hij vijf jaar.

Op veertienjarige leeftijd ging hij zich met enthousiasme op het tekenen concentreren, aangemoedigd door een kunstkenner bij de marine. Deze gaf hem nog nieuwe schetsboeken cadeau van zijn oom, de schilder Sadee. Zijn behoefte aan papier was groot. In zijn vrije tijd tekende hij alles wat hem onder ogen kwam. Door eindeloos te oefenen ontwikkelde hij zijn tekentalent en leerde te ‘kijken’. Hij vond een zolderkamertje aan de Van Baerlestraat in Amsterdam en deed wat reclame schilderwerk in de Kinkerbuurt rond 1904. Vis, Fruit en Zuurwaren, was de eerste tekst die hij in sierletters op een winkelruit moest schilderen. De sfeer beviel hem wel in die volksbuurt. Hij maakte studie van bestaand
werk in de musea van Amsterdam en kopieerde verscheidene werken om te oefenen, eindeloos te oefenen.

Toen zich een gelegenheid voordeed om werk te exposeren, kwam er een doorbraak. Zijn schilderijen en tekeningen werden opgemerkt door ds. Henri de Hoogh uit Amsterdam. Deze bracht hem in contact met professor August Allebe van de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. Smorenberg maakte destijds kerkinterieurs, landschappen, havens-, en zeegezichten. Bij het zien van een kopie van een schilderij van Nicolaas Bastert uit Breukelen, een winterlandschap, gaf Allebe hem de raad
om niet naar de Academie te gaan, omdat hij al te goed was. “Je bent al te veel kunstenaar”. Er ontwikkelde zich een talent “zonder vijf minuten opleiding”, verklaarde Smoor zelf later. Vervolgens kreeg hij van rijkswege een subsidie van fl 3000,-. Uit een telegram uit 1906 weten we dat hij opdracht kreeg van het Koninklijk Huis om een aquarel te maken van het stadsbeeld van Eindhoven. Dit zou verschenen zijn in een album.

In de jaren 1910 – 1911 kwam hij tijdens een verblijf in Bergen in contact met jonge schilders als Filarski,Harrie Kuyten en Arnout Colnot. De schilders van de ‘Bergense School’, zoals die groep later ging heten, speelden met het licht en daar werd hij evenzeer door gefascineerd. Hij zou de drie vrienden later in zijn atelier in Loosdrecht nog vaak ontvangen. Vervolgens trok hij naar Kortenhoef, waar hij in Het Rechthuis zijn intrek nam. Hij werkte er samen met schilders die de techniek van de Haagse School beoefenden, maar liet zich door hun stijl niet beinvloeden. Hij wilde juist de grijstinten vermijden en meer licht behouden. Vandaar de opvallende helderheid die spreekt uit zijn olieverven.
Zijn leuze was, ook tegenover zijn latere leerlingen: “Houd je palet schoon!”
In 1911 kreeg Smorenberg samen met Filarski, Mondriaan, Graafland, Van Ingen , Maurits de Groot de gelegenheid om in New York te exposeren. Hij kon dankzij de geldelijke steun van dominee De Hoogh deze reis meemaken, ook al heeft hij tijdens het halfjaar dat hij er verbleef wel nachten op een bankje in het park geslapen. Maar er werd grif verkocht. Smoor kreeg de smaak te pakken van het reizen en verbleef tussen 1914 en 1916 in Engeland. Er is een schilderij van zijn hand dat ‘Lands End’ weergeeft. In Engeland werd hij voor het eerst op het buiten van een Londense familie geboeid door vijvers met waterlelies. Een tentoonstelling in Londen volgde. ,
Vanaf die tijd exposeerde hij regelmatig in Amsterdam en Rotterdam. Met Filarski maakte hij een reis naar Zwitserland. De prachtig lichtende berglandschappen getuigen ervan. En ook daar werd veel werk verkocht. Hij vertelde wel dat de verkoop door de twee vrienden onmiddellijk werd ‘natgemaakt’,
wat wil zeggen dat ze er samen op dronken. Ik kreeg de indruk dat er in die tijd heel wat werd natgemaakt.

In 1917 kwam professor J.A. Derkinderen, de opvolger van Allebe, een bezoek brengen aan Smorenberg. Hij was onder de indruk van zijn werk. Door hem kon Smoor op fl 1000,- verhoging van zijn subsidie rekenen. Later zou dezelfde prof. Derkinderen Dirks verfbehandeling in verband met de helderheid van zijn kleurgebruik met de leerlingen van de academie bespreken. Het betrof een techniek met een heel speciaal kleureffect. Met professor C.L. Dake, zelf schilder, die les gaf aan de academie, heeft Dirk een goed contact gehad.

Uit prijslijsten van o.a. een expositie uit 1918 weten we wat neergeteld moest worden voor Smoors werk. Zij geven zelfs bedragen aan van fl 1800,- en fl 2000,-. Voor die tijd grote sommen geld, maar hij kreeg het ervoor. In 1924 volgde er een expositie in Barcelona waar hij schilderijen naartoe zond.

Er waren verscheidene particulieren die veel in zijn werk zagen, zoals notaris Rehbock sr. Deze zou de bouw van zijn atelier in Loosdrecht mogelijk maken door hem geldelijk te steunen. Ook weet ik van het bestaan van een dubbelportret van twee zusters, ik denk uit Amsterdam. Zij werden door hem ‘de dames Brandt’ genoemd. In het atelier in Loosdrecht zijn zij verscheidene malen werk van hem komen bekijken Door een legaat van hen kreeg hij financieel enige bewegingsruimte. Smorenberg bleef steeds lid van diverse kunstenaarsverenigingen zoals Arti et Amicitiae in Amsterdam, Sint Lucas en Laren-Blaricum.
In 1920 vestigde Smorenberg zich in Loosdrecht. Dirk bouwde aan het huis zijn atelier met later een etalage zodat hij permanent kon tentoonstellen en het was eenvoudig om zijn nieuwe schilderijen in de aandacht aan te bevelen bij het publiek. Hij had een grote hekel aan kunsthandelaren en op deze manier kon hij eigen baas blijven. Bovendien moedigde deze opstelling geinteresseerden aan om bij hem binnen te lopen.
Aan de Horndijk nummer 3 ligt het huis anno 1997 nog steeds uniek tussen de Loenderveense Plas (de drinkwaterplas) en de Vuntus in. Daar waar Smoor het avondlicht op het stille water van het huis uit wist te vereeuwigen. Hier heeft hij zijn talloze studies van waterlelies gemaakt die hem zijn bekendheid bij het grote publiek hebben gegeven.
In Loosdrecht en omgeving ging hij geregeld met zijn fiets op pad met het schetsboek ‘in de aanslag’.  Altijd klaar om dat vast te leggen wat hem boeide. En dat was veel. Verstilde hoekjes zoals aan de Heulsloot, waar hij een steigertje met wasplaats schilderde. Een boerenwoning of boerenerf. Vele ervan zijn nu verdwenen. Het riet en de waterlelies met hun weerspiegeling, waarvan hij door versobering van het lijnenspel een bijzondere compositie wist te maken. Vaak de natuur van het plassenland met de karakteristieke silhouetten van elzen en wilgen. En de zonsondergang, die inspireerde hem voortdurend. De wisselende wolkenpartijen liet hij op ieder doek sterk meespreken.
Daarin vond hij ontelbare mogelijkheden om de sfeer die hij beoogde tot uitdrukking te brengen, versterkt door de weerspiegeling in de plas. Hij zag er niet tegenop om er op winterdagen net zo goed op uit te gaan. Kranten onder zijn kleren hielden hem dan warm. Maar natuurlijk zocht hij ook graag
de warmte van de stal op zoals bij boer Schoenmaker of boer Van Henten, om daar koeien te schilderen. Mijn moeder mopperde wel op hem als zijn kleding zwart was van de houtskool die hij in zijn zakken bewaarde. Ter afwisseling bleef Smoor portretten schilderen, daar had hij een voorliefde voor.

Dirk had op zijn fietstochten vaste pleisterplaatsen, zoals de ‘soos’ in de voormalige Vuntushoeve. Hij speelde er weleens een partijtje biljart. Met zijn vriend Han Boeschoten heeft hij de opbouw van restaurant De Driesprong meegemaakt. Ook daar was hij vaak te vinden.
Buiten de verkoop op exposities en vanuit zijn eigen etalage adverteerde Smorenberg in de lokale krant en De Gooi- en Eemlander Hij situeerde zijn atelier dan schuin tegenover De Driesprong. Het bezwaar van de directe verkoop vanuit zijn huis was dat men ook wel uit pure nieuwgierigheid bij hem aanklopte. En als een werk iemand aansprak, maar hij of zij liet merken dat de gevraagde prijs te hoog was, kon hij akelig hard zijn in zijn reactie. Hij sjacherde niet over zijn werk. Om nieuwe afnemers van zijn werk te vinden, ging hij eens met een aantal schilderijen in een kist naar de Beurs in Amsterdam. Hij volgde altijd de beursberichten en toen er een stijging in de koersen was, vond hij dat hij daar wel eens een kijkje kon nemen. Al gauw had hij een belangstellende gevonden voor zijn doeken. Het bleek een hoekman te zijn. In het vervolg mocht hij met hem als begeleider het gebouw binnen en hij verkocht er verscheidene werken.

Dirk nam ook wel een schilderijtje onder de arm mee bij wijze van geschenk als hij naar een bruiloft of een jubileum ging. Van de door hemzelf verkochte werken heeft Dirk meestal bij een foto ervan de naam van de koper genoteerd. De werken zijn over de gehele wereld verspreid. Naar Canada, naar Nieuw-Zeeland, naar de Verenigde Staten, noem maar op.

Dirk vond zelf bepaalde werken extra geslaagd. Die verkocht hij niet.hij was eraan  gehecht. Hij was er tevreden over doordat hij er zijn emoties op de gewenste manier in heeft weten te leggen . En wat dat inhoudt kon hij eigenlijk  alleen zelf uitleggen. Maar de ware, liefhebber van zijn werk voelt ongetwijfeld wat hij daarmee bedoeld heeft.

Met dank aan Mevr. N. van der Starre-Smorenberg.

Het is een verhaal opgetekend uit de mond van Mevrouw Nongki van der Starre-Smorenberg, een van de dochters van de kunstschilder.

door Mevr. J.P. van der Meulen

zie ook:  http://www.smorenberg.8k.com