Arnout Colnot (1887-1967) woonde en werkte in Amsterdam tot 1913, waarna hij naar Bergen verhuisde. Later trok hij weer naar Amsterdam. Maakte studiereizen naar Belgiƫ o.a. in Brugge en Frankrijk.

A.J.G. Colnot, een rasechte Amsterdammer is een artiest van buitengewoon gehalte, een schoonheidsjager van de zuiverste soort, begenadigd met grote gaven en een schilder van groot formaat. Zijn werk is zuiver Hollands, ernstig, soms droefgeestig, maar van een onvergetelijke schoonheid. Het volgt een vaste lijn, is vol emotie, maar getuigt van een onverzettelijk streven naar een hoog doel. Het toont ons dat Colnot een kunstenaar is in wien het heilige vuur brandt, waaruit alleen een kunstwerk wordt geboren.

Colnot is de schilder van het Hollandse landschap bij uitnemendheid. Hij is wel bij uitstek de schilder van de Bergense School. Zijn kunst is uit dezelfde bron geweld als alle Hollandse kunst van de vroegste tijd tot heden: de liefde voor de werkelijkheid, voor de dingen van het dagelijks leven. Evenals zijn voorgangers van de 17e eeuw en van de Haagse School, weet Colnot de rijkdom van de eenvoudige voorwerpen, die ons omringen en van ons vlakke polderland te onthullen. Hij heeft dit met Willem Maris gemeen, want. afschoon hij in zijn Bergense tijd als een vernieuwer zich buiten had gevestigd, omdat hij overtuigd was, dat de Haagse School in het slop was geraakt, heeft hij toch altijd erkend dat de groten van deze school zuivere kunstenaars waren. Met Willem Maris had hij gemeen dat hij nooit een buitenman is geworden. In de jaren dat hij in Bergen woonde, vertoefde hij regelmatig in Amsterdam, waar hij thans reeds weer een tiental jaren woont en thuis behoort.

Evenals Willem Maris is Colnot zeer ontvankelijk voor de schoonheid van ons waterrijk landschap. Eens zeide hij mij, dat een langdurig verblijf op het land een beletsel is, om de schoonheid van het landschap te zien. Zijn bewondering voor het werk van Maris is echter zeer begrijpelijk, want men ziet een opmerkelijke overeenkomst tussen beide schilders in de weergaven van de Hollandse luchten boven ons waterland. Deze overeenkomst is bijzonder opmerkelijk in het werk dat Colnot in 1931 in opdracht van het polderbestuur van de Schermer uitvoerde. Toen het bestuur van de drie eeuwen oude Schermer besloot over te gaan tot electrische bemaling, begreep het, dat op de duur de 49 molens, Die drie eeuwen voor de bemaling hadden gezorgd, zouden verdwijnen en dat daardoor de polder aan schoonheid zou inboeten. Colnot kreeg van het polderbestuur de opdracht de schoonheid van de Schermer op de markantste punten voor het nageslacht vast te leggen. Men kan deze doeken bewonderen in de trouwzaal van het Alkmaars stadhuis.

Colnot is in hoge mate een stemmingsmens. Uiteindelijk is hij altijd de welverzorgde heer, die zich in niets onderscheidt van zijn medeburgers. Als kunstenaar is hij echter in hoge mate afhankelijk van de inspiratie. Hij kent perioden, waarin hij door een hevige werkdrift wordt gegrepen, maar hij kent ook tijden, waarin hij niet tot schilderen komt. Werken met de regelmaat van een ambachtsman is hem vreemd. Hij schildert bij voorkeur buiten en neemt dan het liefst ons waterland met zijn kromme poldersloten en knotwilgen tot onderwerp. In Noord-Holland werkte hij in de omgeving van Amsterdam, in de Bergermeer, Warmenhuizen, De Rijp, Kolhorn, Monnikendam, Kortenhoef en heel vroeger te Baambrugge. Ook van de Friese dorpen maakte hij mooie doeken. In tegenstelling tot zijn vriend Filarski, met wien hij veel in Bergen samenwerkte, voelde hij zich niet tot het buitenland aangetrokken. Zijn doeken uit Zuid-Frankrijk kenmerken zich dan ook door een Hollandse sfeer.

Met Cezanne heeft Colnot gemeen dat hij bij voorkeur het landschap zonder figuren schildert. Meestal gebruikt hij dikke ruime verf. In hoofdzaak werkt hij met groene, bruine, rode en blauwe kleuren, kraplak en geeloker, die hij met het palletmes modelleert, raak en knap. Zijn groen is als parelmoer. Ook zijn tekeningen zijn zwarter dan zwart en witter dan wit en zijn ware schilderijen.

Colnot is een kunstenaar, die in hoge mate het nobele geduld en de liefdevolle toewijding bezit, om een werk te voltooien; het niet los te laten, voor het hem bevredigt. Het gelukkige resultaat van zijn arbeid is dan ook immer een rijp schilderij. De heer Boendemaker heeft in zijn collectie een groot doek; een landschap te Bergen. Dit stelt voor een zandweg met een oude boerderij, omgeven door hoge oude hagen. Het groen van deze, met dikke verf geschilderde hagen, is zo wonderlijk mooi, de lucht drukt de avond stilte zo prachtig uit, dat dit werk voor mij wel zijn belangrijkste is. De winterlandschappen van Colnot zijn trouwens even schilderachtig van behandeling, in hun gevoelige schakering van licht en donker. Colnot schildert de winter niet lieflijk, maar bar en grimmig. Wie voor deze met felle drang geschilderde doeken staat, voelt de barre koude schier lichamelijk.

Reeds in zijn jeugd openbaarde zich bij Colnot de liefde voor de schilderkunst en kwam hij in de leer bij de bekende toneel decorateur Jan Maandag. “Overdag werkte ik in het atelier van Jan Maandag en zomers trok ik na werktijd naar Amstelveen en langs de Amstel om te schilderen”. Op 20 jarige leeftijd maakte Colnot zich geheel vrij om zich aan de schilderkunst te wijden. Met zijn kunstbroeder Volmar, huurde hij een huisje in Baambrugge, waar zij samen studies maakten van het Hollands landschap. Deze tijd was voor de jongens, die begrepen, dat de schilderkunst in Holland dreigde dood te lopen, als men zich niet losmaakte van het naturalisme, zeer moeilijk. Colnot kwam als zo vele onder invloed van het luminisme. Hij begreep dat de techniek in de schilderkunst niet alles was, maar tegelijkertijd ging hij niet zo ver als anderen, die beweerden, dat de techniek wel verwaarloosd kon worden. In het najaar van 1908 ontving hij van zij kunstbroeder Dirk Smorenberg de uitnodiging om naar Bergen te komen. In het Bergense landschap vond Colnot wat hij nodig had, zodat hij zich er weldra voorgoed met zijn vriend Filarski vestigde. Hier maakte hij zich spoedig los van het luminisme en ontstonden zijn Hollandse landschappen met hun diepe bruine kleuren en hun wonderlijke gouden gloed.

In zijn werk was Colnot voor alles de romantische colorist, die Zijn onderwerpen raak en direkt, naar de hem eigene, krachtige bruine, gouden en groene kleuren, neerplaatste en niets van de klare, nieuwe zakelijkheid moest hebben, terwijl hij in het dagelijks leven al spoedig geneigd was de zaken van twee kanten te bekijken. Hierdoor was hij in de omgang steeds een gezellig en prettig mens.

Op de vraag waaraan het te wijten is, dat zijn oude schilderijen vaak mooier worden, antwoordde Colnot, dat dit komt omdat mijn schilderijen flink doorwerkt zijn. Door overvulling krijgt de kleur zijn kracht en werking. De kleur krijgt een andere klank, doordat er een andere kleur onder zit.

Tekst: naar D.A. Klomp
Bergen, 1943