zie ook:  http://www.iceskatesmuseum.com/e-gal-sch-4.htm

Op dit moment hebben wij 16 Hollandse winterlandschappen met koek en zopie en schaatsers op het ijs in onze kunsthandel hangen met prijzen tussen €  150.– en € 2.400.–  (Gerrit Heemskerk Kunsthandel Amsterdam)

In de 17de eeuw specialiseerden veel Hollandse meesters zich in het winterlandschap. Dit subgenre binnen  de landschap schilderkunst ontwikkelde zich tot een van de belangrijkste thema’s in de schilderkunst van de  Gouden Eeuw.
Vermaak
Het plezier en de aanstekelijke interactie van mensen die zich op hun gemak voelen en vrolijk met elkaar omgaan is van vele winter schilderijen af te lezen; verliefde paartjes zwieren over het ijs, kinderen zitten in duw- en priksleetjes, jongens kolven  en paarden trekken zwaar beladen arrensleden. Op het ijs kwamen alle rangen en standen bijeen en leken de  maatschappelijke verschillen te verdwijnen. Dit zien we weerspiegeld in de ijsgezichten, waar zowel de chique  stadsbewoner als de arme boer aan ons oog voorbijtrekt. Toch hadden de schilders niet alleen oog voor de ijspret. Ook  de barre kou van de winter brachten zij in beeld.
Kleine IJstijd
Met de Kleine IJstijd wordt de periode van het midden van de 16de tot halverwege de 19de eeuw aangeduid. De 17de eeuw viel midden in deze lange periode van buitengewoon koude winters en relatief koele zomers en kende langdurige vorstperioden; sneeuw en ijs drukten, in tegenstelling tot tegenwoordig, met grote regelmaat hun stempel op het dagelijks leven. De weergave van licht, lucht en atmosfeer in het winterse land was voor veel schilders een bron van inspiratie.
Bovendien had de uitbeelding van de jaarlijks terugkerende ijspret voor de kopers van toen, net als voor ons nu, een grote bekoring en vonden winterlandschappen zo gretig aftrek.
Vlaamse oorsprong
Als thema vindt het winterlandschap met ijsvermaak zijn oorsprong in de Vlaamse 16de eeuwse traditie van de weergave van maanden en seizoenen in getijdenboeken en op schilderijen. Na de val van Antwerpen (1585) vestigden zich veel  Vlaamse schilders in de Noordelijke Nederlanden, waarmee de Vlaamse schilderstraditie hier spoedig inburgerde.
Hendrick Avercamp, Adriaen van de Venne en de vroege Jan van Goyen tonen zich hierdoor nog sterk beïnvloed.
Kenmerkend voor deze traditie zijn de planmatige opbouw van de composities, het hoge standpunt met de hoge horizon,  de panoramische vergezichten, gevuld met kleurige details en anekdotische taferelen.
Hendrick Avercamp (1585-1634), in verband met zijn slechthorendheid de Stomme van Kampen genoemd, specialiseerde zich als eerste in de weergave van het winterlandschap met ijsvermaak.  Als geestig ‘verteller’ met een prachtig kleurgebruik laat hij jong en oud, arm en rijk  naast elkaar deelnemen aan de gemeenschappelijke ijspret.
Nieuwe uitdaging
Na 1610 verdwijnt de Vlaamse invloed geleidelijk. De nauwkeurige observatie van het eigen vlakke land wordt een nieuw uitgangspunt bij de winterlandschappen. In de buitenlucht worden schetsen op papier gemaakt waarbij lichtval, donkere onheilspellende luchten en grimmige kou de aandacht opeisen. Esaias van de Velde (1587-1630) behoort tot de  schilders die deze nieuwe ontwikkeling in de Noordelijke Nederlanden in gang zetten. Na hem volgden een keur van schilders waaronder Jacob van Ruisdael, Isack van Ostade, Salomon van Ruysdael en Philips Wouwerman.
Ook in de 19de eeuw bleef het winterlandschap een gewild onderwerp. Vele romantische meesters blonken uit in dit genre.
Beroemde winterschilders waren o.a. Charles Leickert,  Andreas Schelfhout, F.M. Kruseman, maar ook B.C. Koekkoek. Daarnaast J.J. C. Spohler en diverse leerlingen van Schelfhout.
Duizenden wintertjes werden er in de 19de eeuw gemaakt,  vaak voorzien van schaatsers,  sledes,  molens,  en de koek en zopie tentjes op het ijs.
Zelfs in de 20ste eeuw wordt het winterlandschap door verschillende schilders als moderne specialisatie uitgevoerd.
Louis van Soest en Johan Meijer zijn hier voorbeelden van, maar ook Brolsma,  Karssen, die schilderen in de stijl van de 19de eeuwse meesters.

In de 17de eeuw specialiseerden veel Hollandse meesters zich in het winterlandschap. Dit subgenre binnen  de landschap schilderkunst ontwikkelde zich tot een van de belangrijkste thema’s in de schilderkunst van de  Gouden Eeuw.
VermaakHet plezier en de aanstekelijke interactie van mensen die zich op hun gemak voelen en vrolijk met elkaar omgaan is van vele winter schilderijen af te lezen; verliefde paartjes zwieren over het ijs, kinderen zitten in duw- en priksleetjes, jongens kolven  en paarden trekken zwaar beladen arrensleden. Op het ijs kwamen alle rangen en standen bijeen en leken de  maatschappelijke verschillen te verdwijnen. Dit zien we weerspiegeld in de ijsgezichten, waar zowel de chique  stadsbewoner als de arme boer aan ons oog voorbijtrekt. Toch hadden de schilders niet alleen oog voor de ijspret. Ook  de barre kou van de winter brachten zij in beeld. 
Kleine IJstijd Met de Kleine IJstijd wordt de periode van het midden van de 16de tot halverwege de 19de eeuw aangeduid. De 17de eeuw viel midden in deze lange periode van buitengewoon koude winters en relatief koele zomers en kende langdurigevorstperioden; sneeuw en ijs drukten, in tegenstelling tot tegenwoordig, met grote regelmaat hun stempel op het dagelijksleven. De weergave van licht, lucht en atmosfeer in het winterse land was voor veel schilders een bron van inspiratie. Bovendien had de uitbeelding van de jaarlijks terugkerende ijspret voor de kopers van toen, net als voor ons nu, eengrote bekoring en vonden winterlandschappen zo gretig aftrek. 
Vlaamse oorsprongAls thema vindt het winterlandschap met ijsvermaak zijn oorsprong in de Vlaamse 16de eeuwse traditie van de weergavevan maanden en seizoenen in getijdenboeken en op schilderijen. Na de val van Antwerpen (1585) vestigden zich veel  Vlaamse schilders in de Noordelijke Nederlanden, waarmee de Vlaamse schilderstraditie hier spoedig inburgerde.Hendrick Avercamp, Adriaen van de Venne en de vroege Jan van Goyen tonen zich hierdoor nog sterk beïnvloed.Kenmerkend voor deze traditie zijn de planmatige opbouw van de composities, het hoge standpunt met de hoge horizon,  de panoramische vergezichten, gevuld met kleurige details en anekdotische taferelen.Hendrick Avercamp (1585-1634), in verband met zijn slechthorendheid de Stomme van Kampen genoemd,specialiseerde zich als eerste in de weergave van het winterlandschap met ijsvermaak.  Als geestig ‘verteller’ met een prachtig kleurgebruik laat hij jong en oud, arm en rijk  naast elkaar deelnemen aan de gemeenschappelijke ijspret. 
Nieuwe uitdagingNa 1610 verdwijnt de Vlaamse invloed geleidelijk. De nauwkeurige observatie van het eigen vlakke land wordt eennieuw uitgangspunt bij de winterlandschappen. In de buitenlucht worden schetsen op papier gemaakt waarbij lichtval, donkere onheilspellende luchten en grimmige kou de aandacht opeisen. Esaias van de Velde (1587-1630) behoort tot de  schilders die deze nieuwe ontwikkeling in de Noordelijke Nederlanden in gang zetten. Na hem volgden een keur van schilders waaronder Jacob van Ruisdael, Isack van Ostade, Salomon van Ruysdael en Philips Wouwerman. 
Ook in de 19de eeuw bleef het winterlandschap een gewild onderwerp. Vele romantische meesters blonken uit in dit genre.Beroemde winterschilders waren o.a. Charles Leickert,  Andreas Schelfhout, F.M. Kruseman, maar ook B.C. Koekkoek. Daarnaast J.J. C. Spohler en diverse leerlingen van Schelfhout.Duizenden wintertjes werden er in de 19de eeuw gemaakt,  vaak voorzien van schaatsers,  sledes,  molens,  en de koek en zopie tentjes op het ijs.
Zelfs in de 20ste eeuw wordt het winterlandschap door verschillende schilders als moderne specialisatie uitgevoerd.Louis van Soest en Johan Meijer zijn hier voorbeelden van,maar ook Brolsma,  Karssen, die schilderen in de stijl van de 19de eeuwse meesters.

tekst:  Het Mauritshuis…tentoonstelling Winters van weleer.