Het surrealisme is in eerste instantie een nieuwe levensbeschouwing, maar is vooral bekend als stroming in de
literatuur en beeldende kunsten, ontstaan in de eerste decennia van de 20ste eeuw. Het surrealisme hechtte veel waarde aan de voorafgaande avant-gardebeweging, het dada, de vernietiging van bestaande waarden en van lege conventies. Dada was er niet in geslaagd daar een nieuw kwaliteitsbegrip voor in de plaats te stellen. De surrealisten daarentegen begonnen op grondige en systematische wijze de nog “onontgonnen gebieden” van de
menselijke geest te verkennen: het onderbewuste, de droom, de hallucinatie en ongewone psychische toestanden moesten de bronnen worden voor een nieuwe creatieve verbeeldingskracht. In 1924 publiceerde André Breton zijn ‘Premier manifeste du Surréalisme’,  waarin hij het programma van de groep als volgt formuleerde: “Ik geloof in de toekomstige oplossing van deze
beide uiterlijk zo tegenstrijdig schijnende toestanden -droom en werkelijkheid- in een soort van absolute werkelijkheid: van surrealiteit”. In de beeldende kunst is het surrealisme niet los te denken van de metafysische schilderkunst en van het dada
. Aan de eerste surrealistische tentoonstelling in Parijs in 1925 namen Picasso, De Chirico, Klee, Ernst , Masson, Man Ray, Arp, Miró en Pierre Roy deel.
Men onderscheidt bij de surrealistische schilderkunst twee richtingen. Het veritische surrealisme -wiens voornaamste vertegenwooriger de Spanjaard Salvador Dali is- maakt droombeelden waarin het met bijna overdreven precisie ieder detail weergeeft en vertrouwde vormen en voorwerpen, weliswaar vervreemd en vervormd, gebruikt. Max Ernst, Paul Delvaux en Max Zimmermann behoren tot deze richting, net als de Belgische surrealistische groep met René Magritte, Paul Nougé, E.L.T. Mesens… Het absolute surrealisme -waar Breton sterk voorstander van was- onthoudt zich van elk gebruik van reële voorwerpen. Hier uiten de ontdekkingsreizen naar
het onbewuste zich in abstracte tekens, zoals die in de schilderijen van Joan Miró, Yves Tanguy (met zijn op
onderwaterlandschappen lijkende bleekgekleurde composities) of van André Masson opduiken.
Ondanks het grote succes van een surrealisme-tentoonstelling in Parijs, speelde het surrealisme als gesloten kunstrichting na de veertiger jaren van onze eeuw geen rol meer; de oorlog deed de Franse surrealistische beweging uiteengaan.
Surrealistische elementen vinden we terug in de schilderkunst van de latere decennia, bijvoorbeeld bij het tachisme, bij de action-painting en de groep Cobra, zonder dat bij deze richtingen nog van een surrealistische stijl kan worden gesproken. Het veritische surrealisme zette zich nog min of meer voort in het fantastische, het magische en het mythische realisme.

Het surrealisme is in eerste instantie een nieuwe levensbeschouwing, maar is vooral bekend als stroming in deliteratuur en beeldende kunsten, ontstaan in de eerste decennia van de 20ste eeuw. Het surrealisme hechtte veel waarde aan de voorafgaande avant-gardebeweging, het dada, de vernietiging van bestaande waarden en van lege conventies. Dada was er niet in geslaagd daar een nieuw kwaliteitsbegrip voor in de plaats te stellen. De surrealisten daarentegen begonnen op grondige en systematische wijze de nog “onontgonnen gebieden” van demenselijke geest te verkennen: het onderbewuste, de droom, de hallucinatie en ongewone psychische toestanden moesten de bronnen worden voor een nieuwe creatieve verbeeldingskracht. In 1924 publiceerde André Breton zijn ‘Premier manifeste du Surréalisme’,  waarin hij het programma van de groep als volgt formuleerde: “Ik geloof in de toekomstige oplossing van dezebeide uiterlijk zo tegenstrijdig schijnende toestanden -droom en werkelijkheid- in een soort van absolute werkelijkheid: van surrealiteit”. In de beeldende kunst is het surrealisme niet los te denken van de metafysische schilderkunst en van het dada. Aan de eerste surrealistische tentoonstelling in Parijs in 1925 namen Picasso, De Chirico, Klee, Ernst , Masson, Man Ray, Arp, Miró en Pierre Roy deel. 
Men onderscheidt bij de surrealistische schilderkunst twee richtingen. Het veritische surrealisme -wiens voornaamste vertegenwooriger de Spanjaard Salvador Dali is- maakt droombeelden waarin het met bijna overdreven precisie ieder detail weergeeft en vertrouwde vormen en voorwerpen, weliswaar vervreemd en vervormd, gebruikt. Max Ernst, Paul Delvaux en Max Zimmermann behoren tot deze richting, net als de Belgische surrealistische groep met René Magritte, Paul Nougé, E.L.T. Mesens… Het absolute surrealisme -waar Breton sterk voorstander van was- onthoudt zich van elk gebruik van reële voorwerpen. Hier uiten de ontdekkingsreizen naarhet onbewuste zich in abstracte tekens, zoals die in de schilderijen van Joan Miró, Yves Tanguy (met zijn oponderwaterlandschappen lijkende bleekgekleurde composities) of van André Masson opduiken. 
Ondanks het grote succes van een surrealisme-tentoonstelling in Parijs, speelde het surrealisme als gesloten kunstrichting na de veertiger jaren van onze eeuw geen rol meer; de oorlog deed de Franse surrealistische beweging uiteengaan. Surrealistische elementen vinden we terug in de schilderkunst van de latere decennia, bijvoorbeeld bij het tachisme, bij de action-painting en de groep Cobra, zonder dat bij deze richtingen nog van een surrealistische stijl kan worden gesproken. Het veritische surrealisme zette zich nog min of meer voort in het fantastische, het magische en het mythische realisme.