Reeds in de zeventiende eeuw waren er schilders, die het strandgebeuren vastlegden.
Zowel de gegoede burgers als de vissers met hun bezigheden, zijn afgebeeld door schilders als Jan van Goyen (1596-1656), Salomon van Ruysdael (1600-1670), Aelbert Cuyp (1620-1691), Adriaen van de Velde (1636-1672), Simon Jacobszoon de Vlieger (1601-1653) en Jan van de Capelle (1626-1679). In de achttiende eeuw was er in de schilderkunst weinig belangstelling meer voor het strandgezicht. Schilders legden zich toe op pastorale landschappen, waarin boeren en herderinnetjes figureerden. Pas in de negentiende eeuw kozen de schilders weer voor het strandgezicht. De landschapskunst in Nederland baseerde zich in de eerste helft van de negentiende eeuw zoals gezegd voornamelijk op voorbeelden van de meesters van de Gouden Eeuw. Een voorbeeld is Andreas Schelfhout (1787-1870). Net als zijn illustere voorgangers schilderde Schelfhout strandgezichten waar vissers bezig zijn met hun dagelijkse werkzaamheden. Af en toe beeldde hij hierbij ook de rijke burgers af, die langs de zee kuierden.

De Haagse School

Op de strandgezichten van Schelfhout, Leickert en Meijer zijn de vissers onderdeel van het landschap, maar zijn ze zelden of nooit het hoofdthema. Ze kunnen daarom niet beschouwd worden als voorbeelden van het zogenaamde vissersgenre. In het vissersgenre van de negentiende eeuw, zoals bijvoorbeeld te zien is bij Jozef Israëls (1824-1911), zijn de vissers dominant in de compositie aanwezig. De vissers en hun activiteiten vormen het eigenlijke onderwerp van Israëls’ schilderijen, niet het landschap. Jozef Isra‘ls was de ware meester van het vissersgenre in Nederland. Volgens zijn eigen prachtige verhaal werd hij in 1855 tijdens een kort verblijf in Zandvoort, waar hij herstelde van een reumatische aandoening, getroffen door niet alleen de schoonheid van het strand en de zee, maar ook door het eenvoudige leven van de arme, maar nobele vissers. Hoewel hij ongetwijfeld mededogen had met de vissers en hun harde strijd om het bestaan, lijkt zijn keuze eerder door andere, meer commerciële motieven te zijn ingegeven. Hij had bijzonder veel succes met zijn schilderijen van vissers en strandgezichten en kreeg veel navolgers onder wie Bernard Blommers en David Artz.

Het negeren van de badgast

De Scheveningers waren niet altijd gelukkig met de modernisering van hun dorp. Deels ging het mondaine badleven echter ook gewoon aan hen voorbij. De vissers bleven hun werkzaamheden verrichten en losten de lading van hun platte bomschuiten op het strand. Hieraan kwam een einde door de verschrikkelijke storm van 1894, die een groot deel van de vissersvloot op het strand vernielde. Men besloot hierop tot de aanleg van een haven, die in 1904 in gebruik genoemen werd.

Aan veel schilders, onder wie Jozef Israëls, Artz, Blommers en Mesdag, ging de opkomst van de badcultuur voorbij. Zij bleven enkel oog houden voor de pittoreske vissersbevolking en hun werkzaamheden. In hun schilderijen is werkelijk geen spoor te vinden van het mondaine badleven. Niet alle schilders aan het einde van de negentiende eeuw toonden zo’n rigoureuze houding ten opzichte van de badgasten. Anton Mauve (1838-1888) had in de paar strandscènes die hij schilderde zowel oog voor het vissersleven als voor de badcultuur. Zo schilderde hij onder meer de ezelverhuur. Kinderen konden ezeltje rijden langs het strand onder begeleiding van een jongen die de ezels vasthield.

Een van de beroemste strand schilders is wel Jan Zoelief Tromp.
Die juist wel de badgasten, vooral kinderen schilderde.

Maar ook nu nog zijn er bekende strandschilders, zoals Niek van der Plas en Anton Karssen en Pierre Stefani en natuurlijk niet te vergeten Adriaan van Noort.