Tijdens de romantiek in de eerste helft van de 19de eeuw zochten veel schilders inspiratie bij de Hollandse gouden eeuw. Naar hun overtuiging was dit een periode waarin de schilderkunst een weerslag was van onze vaderlandse identiteit.  Zowel in techniek als in stijl spiegelden zij zich aan uiteenlopende kunstenaars als Salomon van Ruysdael en Nicolaas Berchem. De functie van het kunstwerk en haar inhoud had zich echter geheel veranderd. De natuur werd geaccepteerd zoals ze was en niet langer tot een ideaalbeeld gevormd. De kunstenaar gaf slechts weer wat hij zag zonder daar een diepere betekenis aan te willen toekennen.
De Romantische landschapschilders namen het werk uit de 17de eeuw tot voorbeeld bij het weergeven van eigen tijd en eigen omgeving. Deze navolging van de 17de eeuw was algemeen. De Romantici prezen, onder invloed van J.J. Rousseau, het ongecultiveerde in de natuur, en probeerden om emotie in het kunstwerk te brengen.
Was het in de 17de eeuw gebruikelijk om in de natuur opgedane indrukken in het atelier uit te werken, in de 19de eeuw gaf men de voorkeur aan het direct tekenen en schilderen in de natuur. De directe waarneming werd hoger geacht dan het aanpassen van de werkelijkheid in het atelier.
Een prettige bijkomstigheid voor de 19de eeuwse  kunstenaar was dat de mogelijkheid om in de natuur te werken was toegenomen door de komst van olieverf in tubes. Het ontbreken van de noodzakelijkheid om verf in het atelier te bereiden gaf de kunstenaar meer vrijheid. Het schilderen van landschappen in de vrije natuur wordt dan een veel voorkomend verschijnsel.
Tegen het einde van de 19de eeuw zal het romantische sentiment, onder invloed van stromingen als het Franse impressionisme, worden verdrongen.
De waarneming van natuur en licht zal deze plaats invullen en er zullen zich revolutionaire veranderingen voordoen.
De kunstenaars voelden zich betrokken bij de maatschappij die, door politieke en industriële revoluties, danig van karakter veranderde. Door het wegvallen van de rol van de Academie en de grote kunstcentra is er een nieuw verschijnsel in de beeldende kunst waar te nemen. Er ontstond een onafhankelijkheid ten opzichte van opdrachtgevers.
Men schilderde niet meer voornamelijk in opdracht maar voor een markt waar mensen uit verschillende lagen van de bevolking zich geïnteresseerd toonden in beeldende kunst. Potentiële kopers konden zelf een keuze maken uit het werk dat werd aangeboden.  Meer en meer kwam de nadruk te liggen op het uitbeelden van een persoonlijke visie in de schilderijen.
Er ontstaan groepjes kunstenaars die zich achter een  bepaalde ideologie scharen. Vanuit deze ideologie geven zij uiting aan hun idee van kunst. Hierdoor kreeg het begrip kunstenaar een heel ander karakter. Er ontstond een artistieke vrijheid waardoor de kunstenaar niet langer de aard van zijn werk door anderen liet bepalen, maar als individu zijn ideeën kon ontplooien.
De Hollandse Romantiek in de schilderkunst is vooral een thematisch-stilistische variatie op het werk van zeventiende-eeuwse schilders, maar zonder de pit en het merg van die zeventiende-eeuwse voorgangers.
Toch heeft de Romantiek, zeker internationaal gezien, meer invloed  op latere ontwikkelingen in de schilderkunst uitgeoefend dan lange tijd werd gedacht. Niet de impressionisten maar de romantische schilders werkten als eersten in de vrije natuur, „en plein air.” De schrijvers van deze Kruseman-monografie zijn daarom van mening dat de geschiedschrijving van de schilderkunst zich niet mag beperken tot avant-gardisten. Ook kunstenaars zoals Kruseman behoren wezenlijk tot het artistieke leven van de negentiende eeuw.
In de Romantiek ontstond de gedachte dat de ware kunstenaar een scheppend genie is. Natuur en kunstenaar staan in een levende  relatie tot elkaar. De natuurervaring van de kunstenaar is daarom sterk emotioneel geladen. Hij geeft vervolgens uitdrukking aan deze emotionaliteit in zijn kunstwerk. Binnen de Hollandse romantische schilders van de negentiende eeuw vond deze gedachte nauwelijks navolging. Men zag de kunstenaar voornamelijk als een ambachtelijk en gedegen vakman. Kunst is te leren.
© 1996 Nic
Romantische schilders waren:
Abels
Alma Tadema
Bakker Korff
Bloemers
Bodeman
Bommel van
Borselen van
Destree
Eerelman
Eversen
Greive
Gruyter
Haanen
Hilverdink
Karsen
Kate ten
Kleijn
Klinkenberg
Klombeck
Kluyver
Knip
Koekkoek
Koster
Kruseman
Leickert
Lieste
Maaten v.d.
Meijer
Morel
Nakken
Nuyen
Os van
Reekers
Riegen
Rochussen
Ronner
Roosenboom
Sande Bakhuizen
Schelfhout
Schendel van
Schotel
Spaendonck
Spin
Spohler
Springer
Stok v.d.
Stroedel
Strij van
Tavenraat
Tom
Verheijen
Verhoesen
Verschuur
Vertin
Verveer
Vogel de
Vos
Vrolijk
Waldorp
Wijngaerdt
en anderen

Tijdens de romantiek in de eerste helft van de 19deeeuw zochten veel schilders inspiratie bij de Hollandsegouden eeuw. Naar hun overtuiging was dit een periode waarin de schilderkunst een weerslag was van onze vaderlandse identiteit.  Zowel in techniek als in stijl spiegelden zij zich aan uiteenlopende kunstenaars als Salomon van Ruysdael en Nicolaas Berchem. De functie van het kunstwerk en haar inhoud had zich echter geheel veranderd. De natuur werd geaccepteerd zoals ze was en niet langer tot een ideaalbeeld gevormd. De kunstenaar gaf slechts weer wat hij zag zonder daar een diepere betekenis aan te willen toekennen.De Romantische landschapschilders namen het werk uit de 17de eeuw tot voorbeeld bij het weergeven van eigen tijd en eigen omgeving. Deze navolging van de 17de eeuw was algemeen. De Romantici prezen, onder invloed van J.J. Rousseau, het ongecultiveerde in de natuur, en probeerden om emotie in het kunstwerk te brengen. Was het in de 17de eeuw gebruikelijk om in de natuuropgedane indrukken in het atelier uit te werken, in de19de eeuw gaf men de voorkeur aan het direct tekenen en schilderen in de natuur. De directe waarneming werd hoger geacht dan het aanpassen van de werkelijkheid in het atelier.Een prettige bijkomstigheid voor de 19de eeuwse  kunstenaar was dat de mogelijkheid om in de natuur te werken was toegenomen door de komst van olieverf in tubes. Het ontbreken van de noodzakelijkheid om verf in het atelier te bereiden gaf dekunstenaar meer vrijheid. Het schilderen van landschappen in de vrije natuur wordt dan een veel voorkomend verschijnsel.
Tegen het einde van de 19de eeuw zal het romantische sentiment, onder invloed van stromingen als het Franse impressionisme, worden verdrongen.De waarneming van natuur en licht zal deze plaats invullen en er zullen zich revolutionaire veranderingen voordoen.De kunstenaars voelden zich betrokken bij de maatschappij die, door politieke en industriële revoluties, danig van karakter veranderde. Door het wegvallen van de rol van de Academie en de grote kunstcentra is er een nieuw verschijnsel in debeeldende kunst waar te nemen. Er ontstond eenonafhankelijkheid ten opzichte van opdrachtgevers.Men schilderde niet meer voornamelijk in opdracht maar voor een markt waar mensen uit verschillende lagen van de bevolking zich geïnteresseerd toonden in beeldende kunst. Potentiële kopers konden zelf een keuze maken uit het werk dat werd aangeboden.  Meer en meer kwam de nadruk te liggen op het uitbeelden van een persoonlijke visie in de schilderijen. 
Er ontstaan groepjes kunstenaars die zich achter een  bepaalde ideologie scharen. Vanuit deze ideologie geven zij uiting aan hun idee van kunst. Hierdoor kreeg het begrip kunstenaar een heel ander karakter. Er ontstond een artistieke vrijheid waardoor dekunstenaar niet langer de aard van zijn werk door anderen liet bepalen, maar als individu zijn ideeën kon ontplooien.
De Hollandse Romantiek in de schilderkunst is vooral een thematisch-stilistische variatie op het werk van zeventiende-eeuwse schilders, maar zonder de pit en hetmerg van die zeventiende-eeuwse voorgangers. Toch heeft de Romantiek, zeker internationaal gezien, meer invloed  op latere ontwikkelingen in de schilderkunst uitgeoefend dan lange tijd werd gedacht. Niet de impressionisten maar de romantische schilders werkten als eersten in de vrije natuur, „en plein air.” De schrijvers van deze Kruseman-monografie zijn daarom van mening dat de geschiedschrijving van de schilderkunst zich niet mag beperken tot avant-gardisten. Ook kunstenaars zoals Kruseman behoren wezenlijk tot het artistieke leven van de negentiende eeuw. In de Romantiek ontstond de gedachte dat de ware kunstenaareen scheppend genie is. Natuur en kunstenaar staan in een levende  relatie tot elkaar. De natuurervaring van de kunstenaar is daarom sterk emotioneel geladen. Hij geeft vervolgens uitdrukking aan deze emotionaliteit in zijn kunstwerk. Binnen de Hollandse romantische schilders van de negentiende eeuw vond deze gedachte nauwelijks navolging. Men zag de kunstenaarvoornamelijk als een ambachtelijk en gedegen vakman. Kunst is te leren. 
© 1996 Nic

Romantische schilders waren:
AbelsAlma TademaBakker KorffBloemersBodemanBommel vanBorselen vanDestreeEerelmanEversenGreiveGruyterHaanenHilverdinkKarsenKate tenKleijnKlinkenbergKlombeckKluyverKnipKoekkoekKosterKrusemanLeickertLiesteMaaten v.d.MeijerMorelNakkenNuyenOs vanReekersRiegenRochussenRonnerRoosenboomSande BakhuizenSchelfhoutSchendel vanSchotelSpaendonckSpinSpohlerSpringerStok v.d.StroedelStrij vanTavenraatTomVerheijenVerhoesenVerschuurVertinVerveerVogel deVosVrolijkWaldorpWijngaerdt en anderen