De toegang is niet echt publieksvriendelijk, maar laat je niet weerhouden.  Als je iets zoekt m.b.t. Hollandse schilderkunst, meld je dan bij de ingang, laat je ophalen en zoek naar waar je voor komt.
Het RKD is publiek eigendom. Dus van ons allemaal.

Het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie is een kenniscentrum op het gebied van de Westerse beeldende- en toegepaste kunst. Het onderwerpsgebied begint bij de latere Middeleeuwen en gaat door tot op de dag van vandaag. Nadruk
ligt op de Nederlandse kunst.  Zowel visueel als schriftelijk documentatiemateriaal wordt verzameld. De collectie
documentatiemateriaal is uitgegroeid tot de grootste in haar soort ter wereld. De verzameling bestaat uit ruim 6 miljoen foto’s en reproducties van kunstwerken, 410.000 boeken, tijdschriften en collectie-, tentoonstellings- en veilingcatalogi, 2.000.000 fiches met kunsthistorische aantekeningen en 2.000.000 krantenknipsels over – vooral – Nederlandse kunst.
In 1932 opende het RKD zijn deuren voor het publiek. De kunsthistoricus dr Cornelis Hofstede de Groot (1863-1930) liet bij zijn dood een legaat na. Hofstede de Groot had veel kontakten in de kunstwereld, schreef veel brieven en verzamelde afbeeldingen en foto’s. Zijn fotoverzameling wordt geschat op 100.000 exemplaren. De foto’s hadden voornamelijk de zeventiende eeuwse beeldende kunst als onderwerp, de oude kern van het RKD. De vriendenstichting van het RKD is naar Hofstede de Groot vernoemd.
Frits Lugt (1884-1970) voegde in 1932 de door hem verzamelde 100.000 reproducties, 22.000 veilingcatalogi en enkele duizenden boeken toe aan de collectie van het pas opgerichte RKD. De afbeeldingen verzameld door Frits Lugt betrof vooral buitenlandse kunst, waardoor het RKD ook op dat gebied een belangrijke collectie kon opbouwen. Dit werd de kern voor de afdeling Buitenland. In 1957 stichtte Lugt het Institut Néerlandais te Parijs, waarin zijn overige collecties worden bewaard.
Als derde bracht Jhr dr mr E.A. van Beresteyn (1876-1948) kort na de openstelling zijn materiaal op het gebied van het Nederlands portret onder bij het RKD. Deze verzameling vormt de kern van de afdeling Iconografisch Bureau.
Het verzamelgebied en de publiekstaak zijn steeds verder uitgebreid. Per 1 januari 1995 is het RKD overgegaan in een stichting, de Stichting tot exploitatie van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (stichting RKD). De collecties die door de stichting RKD worden beheerd zijn echter rijkseigendom.
De afdeling Negentiende eeuw (NEG) richt zich op de documentatie van Nederlandse en Belgische kunstenaars geboren tussen 1775 en 1875. De documentatie bestaat uit circa 600.000 foto’s en reproducties van meer dan 5000 verschillende kunstenaars. De uitgebreide documentatie over Vincent van Gogh die bestaat uit literatuur, beelddocumentatie en krantenknipsels, vormt een bijzonder onderdeel van de collectie. Deze is gevormd naar aanleiding van de heruitgave, in 1970, van de oeuvrecatalogus van Baart de la Faille.
De afdeling bevat tevens een handbibliotheek die bestaat uit algemene literatuur over negentiende eeuwse kunst, monografieën van kunstenaars en tentoonstellingscatalogi en de catalogi van tentoonstellingen van Levende Meesters. Ook treft u op deze afdeling een omvangrijke collectie van foto’s gemaakt door de schilder G.H. Breitner.

De afdeling Twintigste Eeuw bestaat sinds 1971. Daarvoor maakte deze onderdeel uit van de afdeling Moderne Nederlandse en Belgische Kunst die in 1946 is opgericht, zo´n kleine 15 jaar na de opening van het RKD. Deze uitbreiding van het verzamelterrein – ook de buitenlandse kunst kreeg een eigen afdeling – werd nodig geacht bij de herinrichting van het bureau na de oorlog. Directeur en ´generalist´ J.G. van Gelder (directeur 1940–1946) had de verbreding van het gezichtsveld gedurende de oorlogsjaren ingeleid met de acquisitie van enkele archieven met betrekking tot de negentiende– en vroeg twintigste–eeuwse kunst. Zo vormden de archivalia van de Haagse vestiging van kunsthandel Goupil (1940), de gevreesde kunstcriticus Albert Plasschaert (1941) en gemeenschapskunstenaar Anton Derkinderen (1943) het fundament waarop de toekomstige afdeling voor Moderne kunst gebouwd zou worden. Deze aanwinsten leidden in 1943 op het Departement tot een discussie over de vraag of dit soort documenten in een bibliotheek of in het RKD thuishoorden en de conclusie was dat het laatste instituut daarvoor toch de aangewezen plek was. Daarmee kreeg de aloude suprematie van de visuele documentatie  het ´plaatje´ , direct verbonden met de kernbestanden waarop het bureau was gesticht, zijn eerste knauw al zou het nog lang duren voordat het RKD zijn naam uitsluitend een plaatjesarchief te zijn, kon afschudden.