De nasleep van de kunstroof uit de Tweede Wereldoorlog duurt nog altijd voort. In Europese en Amerikaanse musea hangen schilderijen, die in de oorlog door de Duitsers zijn geroofd en waarvan onduidelijk is wie de oorspronkelijke eigenaar was. In gevallen waarin men dat wel denkt te weten, volgen er claims van overheden of kinderen en kleinkinderen van de vroegere eigenaars en een onderzoek naar de herkomst van de geclaimde kunstvoorwerpen.
De meeste Nederlandse museumcollecties zijn in de oorlog niet geplunderd door de Duitsers. Verschillende musea zagen hun collecties juist aangroeien. Van de Duitsers kregen ze toestemming om schilderijen te kopen uit geconfisqueerd joods bezit. Ook mochten de musea hun joodse bruiklenen aankopen. De museumdirecteuren hadden meestal niet de bedoeling om die schilderijen voor de eigenaren te behouden. Het ging hun puur om de uitbreiding van het Nederlandse museumbezit.
De regel was duidelijk. Wie in de oorlog onder dwang kunstwerken aan de Duitsers had verkocht kon die na de oorlog terugkopen. De kunst die vrijwillig was verkocht verviel aan de Nederlandse staat. De Stichting Nederlands Kunstbezit heeft te vaak besloten dat een verkoop vrijwillig was. ‘Het paste in het streven om Nederland met een aanzienlijke kunstcollectie ter verrijken.’
De Stichting Nederlands Kunstbezit stond na de oorlog voor de taak om de kunstwerken die tijdens de oorlog naar Duitsland waren verdwenen te recupereren en zo mogelijk terug te geven aan de eigenaren. Die konden aangifte doen van wat ze kwijt waren, maar met die aangifteformulieren werd gefraudeerd. De SNK bleek vaak moeilijk tot teruggave aan particulieren te bewegen.
Van de schilderijen die tijdens de oorlog uit Nederland naar Duitsland werden gevoerd, zijn er minstens zesduizend nooit teruggevonden. Vooral van het joodse kunstbezit is weinig weergekeerd doordat er veel te laat naar werd gezocht. Vierduizend schilderijen keerden na de oorlog wel terug, maar daarbij zitten ook doeken waarvan het zeer de vraag is of ze wel uit Nederland afkomstig waren. ‘Kennelijk maakte zich van de kunstspeurders op het laatst een chauvinistische inhaligheid meester.
Claims zijn ingediend t.b.v. de verzamelingen:
Eberstad
Goudstikker
Koenigs
Zoellner
ALLE VOORHANDEN INFORMATIE IS TE VINDEN OP DE VOLGENDE WEBSITES
http://www.herkomstgezocht.nl/
http://www.nepip.org/
http://www.originsunknown.org/
http://www.nrc.nl/dossiers/Oorlogskunst/
Buro Muggenthaler bemiddelt in het afhandelen van claims.
Muggenthaler vertelt over haar werkwijze: We hebben veel positieve ervaringen met particuliere eigenaren van oorlogskunst. Als zo’n eigenaar het kunstwerk na 1950 in goed vertrouwen heeft gekocht en hij laat het nu veilen, dan nemen wij namens de claimant genoegen met de helft van de opbrengst. De herkomst van het werk is dan gezuiverd, het heeft weer zijn volle waarde en kan voortaan probleemloos worden verkocht. Wij weten dat de eigenaar van de Honthorst het doek geërfd heeft van iemand die het tijdens de oorlog heeft gekocht. In zo’n geval vragen we een hoger percentage. Maar deze man wil zelfs niet praten.
Om hem toch tot een schikking te bewegen, riep Muggenthaler de hulp in van het Holocaust Claims Procession Office (HCPO), een instantie die in 1997 werd opgericht door de staat New York om Joodse claimanten te assisteren bij het terugkrijgen van hun in de oorlog ontvreemde familiebezit  niet alleen kunst, maar ook aandelen of banktegoeden. Volgens HCPO-directeur Anna Rubin steunde haar organisatie tot nu toe vijfduizend claimanten in dertig landen.
Op de vraag wat de HCPO doet wanneer een particuliere eigenaar van oorlogskunst niet wil onderhandelen met de claimant, zegt Rubin:  We vertrouwen op onze morele overredingskracht. De Washington Principles on Looted Art uit 1998 zijn ons gereedschap. Als particulieren volharden in hun weigering om in overleg te gaan, geven we hun voorlichting over de oorlog, we try to educate them. Meestal gaan ze dan overstag en zijn ze alsnog bereid tot restitutie van hun bezit, of een schikking.
Researchbureaus als Muggenthaler hebben hun eigen methodes ontwikkeld om particuliere eigenaars te overtuigen dat zij een kunstwerk moeten inleveren, of, bij een verkoop, een deel van de opbrengst moeten afstaan. Die methodes kunnen ver gaan. Zo schroomde Muggenthaler niet om, in een poging de kunstwerk-bezitter toch nog aan de onderhandelingstafel te krijgen, naar de pers te stappen:  Een ander middel is om zo’n schilderij te brandmerken als oorlogskunst en zo de verkoop te blokkeren. De veilinghuizen werken hier in feite aan mee door geen kunstwerken te veilen die geclaimd worden, al is er juridisch geen enkele basis voor zo’n claim.

De nasleep van de kunstroof uit de Tweede Wereldoorlog duurt nog altijd voort. In Europese en Amerikaanse musea hangen schilderijen, die in de oorlog door de Duitsers zijn geroofd en waarvan onduidelijk is wie de oorspronkelijke eigenaar was. In gevallen waarin men dat wel denkt te weten, volgen er claims van overheden of kinderen en kleinkinderen van de vroegere eigenaars en een onderzoek naar de herkomst van de geclaimde kunstvoorwerpen.
De meeste Nederlandse museumcollecties zijn in de oorlog niet geplunderd door de Duitsers. Verschillende musea zagen hun collecties juist aangroeien. Van de Duitsers kregen ze toestemming om schilderijen te kopen uit geconfisqueerd joods bezit. Ook mochten de musea hun joodse bruiklenen aankopen. De museumdirecteuren hadden meestal niet de bedoeling om die schilderijen voor de eigenaren te behouden. Het ging hun puur om de uitbreiding van het Nederlandse museumbezit.
De regel was duidelijk. Wie in de oorlog onder dwang kunstwerken aan de Duitsers had verkocht kon die na de oorlog terugkopen. De kunst die vrijwillig was verkocht verviel aan de Nederlandse staat. De Stichting Nederlands Kunstbezit heeft te vaak besloten dat een verkoop vrijwillig was. ‘Het paste in het streven om Nederland met een aanzienlijke kunstcollectie ter verrijken.’
De Stichting Nederlands Kunstbezit stond na de oorlog voor de taak om de kunstwerken die tijdens de oorlog naar Duitsland waren verdwenen te recupereren en zo mogelijk terug te geven aan de eigenaren. Die konden aangifte doen van wat ze kwijt waren, maar met die aangifteformulieren werd gefraudeerd. De SNK bleek vaak moeilijk tot teruggave aan particulieren te bewegen.
Van de schilderijen die tijdens de oorlog uit Nederland naar Duitsland werden gevoerd, zijn er minstens zesduizend nooit teruggevonden. Vooral van het joodse kunstbezit is weinig weergekeerd doordat er veel te laat naar werd gezocht. Vierduizend schilderijen keerden na de oorlog wel terug, maar daarbij zitten ook doeken waarvan het zeer de vraag is of ze wel uit Nederland afkomstig waren. ‘Kennelijk maakte zich van de kunstspeurders op het laatst een chauvinistische inhaligheid meester.
Claims zijn ingediend t.b.v. de verzamelingen:
EberstadGoudstikkerKoenigsZoellner
ALLE VOORHANDEN INFORMATIE IS TE VINDEN OP DE VOLGENDE WEBSITES
http://www.herkomstgezocht.nl/
http://www.nepip.org/
http://www.originsunknown.org/       http://www.nrc.nl/dossiers/Oorlogskunst/ 
Buro Muggenthaler bemiddelt in het afhandelen van claims.Muggenthaler vertelt over haar werkwijze: We hebben veel positieve ervaringen met particuliere eigenaren van oorlogskunst. Als zo’n eigenaar het kunstwerk na 1950 in goed vertrouwen heeft gekocht en hij laat het nu veilen, dan nemen wij namens de claimant genoegen met de helft van de opbrengst. De herkomst van het werk is dan gezuiverd, het heeft weer zijn volle waarde en kan voortaan probleemloos worden verkocht. Wij weten dat de eigenaar van de Honthorst het doek geërfd heeft van iemand die het tijdens de oorlog heeft gekocht. In zo’n geval vragen we een hoger percentage. Maar deze man wil zelfs niet praten.
Om hem toch tot een schikking te bewegen, riep Muggenthaler de hulp in van het Holocaust Claims Procession Office (HCPO), een instantie die in 1997 werd opgericht door de staat New York om Joodse claimanten te assisteren bij het terugkrijgen van hun in de oorlog ontvreemde familiebezit  niet alleen kunst, maar ook aandelen of banktegoeden. Volgens HCPO-directeur Anna Rubin steunde haar organisatie tot nu toe vijfduizend claimanten in dertig landen.
Op de vraag wat de HCPO doet wanneer een particuliere eigenaar van oorlogskunst niet wil onderhandelen met de claimant, zegt Rubin:  We vertrouwen op onze morele overredingskracht. De Washington Principles on Looted Art uit 1998 zijn ons gereedschap. Als particulieren volharden in hun weigering om in overleg te gaan, geven we hun voorlichting over de oorlog, we try to educate them. Meestal gaan ze dan overstag en zijn ze alsnog bereid tot restitutie van hun bezit, of een schikking.Researchbureaus als Muggenthaler hebben hun eigen methodes ontwikkeld om particuliere eigenaars te overtuigen dat zij een kunstwerk moeten inleveren, of, bij een verkoop, een deel van de opbrengst moeten afstaan. Die methodes kunnen ver gaan. Zo schroomde Muggenthaler niet om, in een poging de kunstwerk-bezitter toch nog aan de onderhandelingstafel te krijgen, naar de pers te stappen:  Een ander middel is om zo’n schilderij te brandmerken als oorlogskunst en zo de verkoop te blokkeren. De veilinghuizen werken hier in feite aan mee door geen kunstwerken te veilen die geclaimd worden, al is er juridisch geen enkele basis voor zo’n claim.