Elementaire begrippen betreffende het schilderen met olieverf
Er bestaan vele methodes om te schilderen. Allen zijn ze goed bij juist gebruik van de materialen. De manier van schilderen die hier wordt beschreven is een vrij eenvoudige techniek.
Ze kan snel en door iedereen met een normale begaafdheid gebruikt worden om mooie resultaten te bereiken.
Wanneer een doek wordt aangezet, dient dit met zo weinig mogelijk verf te  gebeuren. Wanneer de verf er te dik wordt opgezet, kan men er geen tweede  laag over aanbrengen, vooraleer de eerste laag droog is, en kan er niet meer worden verdergewerkt. Het aanzetten gebeurt met een brede platte borstel van 3 tot 7 centimeter van witte zijde of varkenshaar. De verf wordt niet verdund met medium of terpentijn. Verdunnen gebeurt slechts indien met dunne penselen 0 en 00 wordt
gewerkt. De verf kan dan worden gebruikt als inkt, bijvoorbeeld om takken van bomen, grassprietjes of hooi te schilderen. Het doek kan ook zo worden bewerkt (gegrond) dat de oliën, die de verf nat houden, min of meer in de gronding dringen.
Dit maakt het mogelijk dadelijk een tweede laag aan te brengen zonder dat de verflagen zich vermengen.
Om zelf doek te bewerken moet u op de volgende manier te werk gaan: U heeft onbewerkt linnen (liefst dubbel geweven), huidenlijm (vellenlijm), krijtpoeder en water nodig. Eerst wordt het doek losjes opgespannen op het haaks gemaakte spieraam. Houd er rekening mee dat het linnen bij bewerking 10% krimpt. De grote maten (vanaf 60 x 70cm) moeten dus vrij los opgespannen worden. Als het doek opgespannen is, geschiedt de gronding in drie fasen.
-Eerste fase.   De olie die in de verf zit, mag het linnen niet bereiken. Daarom dient er eerst een afschermlaag aangebracht te worden. Deze laag bestaat uit lijmwater van 70 gram lijm per liter water. Om lijmwater te maken, laat u de lijmkorrels een nacht in koud water weken. Indien het dan verwarmd (niet koken) en omgeroerd wordt, lost de lijm gemakkelijk op. Het lijmwater wordt met een brede kwast op het linnen aangebracht.
-Tweede fase.   Wanneer de eerste laag goed droog is, wordt ze lichtjes geschuurd. Bij het lijmwater wordt krijtpoeder gevoegd. Bij 1 liter water voegt men 3/4de liter krijt. Dit mengsel wordt op de eerste laag aangebracht.
-Derde fase.   Wanneer de tweede laag goed droog is, opnieuw lichtjes schuren. U voegt krijt toe bij lijmwater dat slechts 40 gram lijm per liter water bevat. Bij 1 liter lijmwater mag zeker 2 liter krijt worden gevoegd . Zo ontstaat een brij die net vloeibaar genoeg is om vlot aangebracht te worden en toch enkele millimeter
dekking geeft. Wanneer de derde laag goed droog is, kan ze worden geschuurd. Eerst schuren met grof en dan met fijn schuurpapier.
Om de verschillende lagen aan te maken en aan te brengen moeten de mengsels worden opgewarmd. Draag er zorg voor dat de temperatuur onder het kookpunt blijft.
Het is ook goed te weten dat de eigenschappen van sommige verfstoffen een verkeerde behandeling niet toelaten. Zo verkleurt zinkwit niet, maar heeft het wel de neiging om te barsten. Titaanwit daarentegen is elastisch maar vergeelt. Titaanwit is
dus geschikt voor de ondergrond, terwijl zinkwit zeer geschikt is voor de bovenste lagen. Men gebruikt steeds cremserwit, dat de goede eigenschappen van de twee vorige verfstoffen combineert. Mits een goede vernislaag blijft het kleurvast.
Plaats het doek altijd waterpas en loodrecht en laat, bij het schilderen in de natuur, nooit de zon op het doek schijnen. Schilderen gebeurt onder middelmatige omstandigheden, nooit met volmaakt licht, want wanneer een schilderij ergens binnen in huis hangt, is het licht ook niet volmaakt. Een schilderij moet gemaakt   worden met een belichting die minder goed is dan de belichting op de plaats waar  het uiteindelijk komt te hangen.
Het is van groot belang te weten dat kleur verandert naar gelang van de ondergrond   waarop ze geschilderd is. Oranje is heel anders op een witte ondergrond dan op een  groene. Groen op een rode ondergrond is anders dan op een witte. Blauw op
geel-oranje geeft een veel warmere tint dan blauw op wit. Soms schildert men onder alles wat groen moet worden, zoals bomen en weiden, steeds een donkerrode laag (de fond).
De fond van bakstenen en pannen donkergroen en die van de luchten warm geel-oranje.
Goed om te weten is dat met een grijze kleur, gemaakt van ultramarijn blauw, omber  gebrand en wit, veel kan worden bereikt. Wanneer een schilderij wat zwaar overkomt, kan de rand ervan lichtjes met grijs, dat droog op een borstel van 7 cm is
aangebracht, worden bestreken. De lichtpuntjes (Napels geel, wit of oranje) die het schilderij leven inblazen, het laatst. Door een donker streepje onder een lichtpuntje te zetten, wordt het effect nog vergroot.
De schilder moet niet in de verleiding komen om hetgeen hij ziet dadelijk op doek te  willen zetten. Hij moet eerst de opbouw van het onderwerp bestuderen. Ik deel het werk aan een schilderij in drie fasen in. Opzet en tekening. Indien de tekening en de opzet niet juist zijn duiken er achteraf prolemen op die niet te verhelpen zijn zonder alles te herschilderen.
Daarom moet er zorg voor worden gedragen dat alles op de juiste plaats staat en dat de compositie in orde is.
De opzet verduidelijken en afwerken. De tekening bijwerken met penseel Nr. 10, wat meer licht aanbrengen en de donkere gedeeltes invullen zodat het contrast wordt vergroot. Door steeds meer lichte en donkere kleuren te schilderen, krijgt het schilderij
vorm en kan begonnen worden aan de afwerking.
De afwerking. De afwerking is van groot belang omdat ze
bepalend is voor wat de toeschouwer uiteindelijk te zien krijgt. In tegenstelling tot de opzet kunnen er steeds verbeteringen aangebracht worden, indien het resultaat niet bevredigt.
Tekst: Leo Engelen

Elementaire begrippen betreffende het schilderen met olieverf
Er bestaan vele methodes om te schilderen. Allen zijn ze goed bij juist gebruik van de materialen. De manier van schilderen die hier wordt beschreven is een vrij eenvoudige techniek.Ze kan snel en door iedereen met een normale begaafdheid gebruikt worden om mooie resultaten te bereiken.
Wanneer een doek wordt aangezet, dient dit met zo weinig mogelijk verf te  gebeuren. Wanneer de verf er te dik wordt opgezet, kan men er geen tweede  laag over aanbrengen, vooraleer de eerste laag droog is, en kan er niet meer worden verdergewerkt. Het aanzetten gebeurt met een brede platte borstel van 3 tot 7 centimeter van witte zijde of varkenshaar. De verf wordt niet verdund met medium of terpentijn. Verdunnen gebeurt slechts indien met dunne penselen 0 en 00 wordtgewerkt. De verf kan dan worden gebruikt als inkt, bijvoorbeeld om takken van bomen, grassprietjes of hooi te schilderen. Het doek kan ook zo worden bewerkt (gegrond) dat de oliën, die de verf nat houden, min of meer in de gronding dringen.Dit maakt het mogelijk dadelijk een tweede laag aan te brengen zonder dat de verflagen zich vermengen.
Om zelf doek te bewerken moet u op de volgende manier te werk gaan: U heeft onbewerkt linnen (liefst dubbel geweven), huidenlijm (vellenlijm), krijtpoeder en water nodig. Eerst wordt het doek losjes opgespannen op het haaks gemaakte spieraam. Houd er rekening mee dat het linnen bij bewerking 10% krimpt. De grote maten (vanaf 60 x 70cm) moeten dus vrij los opgespannen worden. Als het doek opgespannen is, geschiedt de gronding in drie fasen. 
-Eerste fase.   De olie die in de verf zit, mag het linnen niet bereiken. Daarom dient er eerst een afschermlaag aangebracht te worden. Deze laag bestaat uit lijmwater van 70 gram lijm per liter water. Om lijmwater te maken, laat u de lijmkorrels een nacht in koud water weken. Indien het dan verwarmd (niet koken) en omgeroerd wordt, lost de lijm gemakkelijk op. Het lijmwater wordt met een brede kwast op het linnen aangebracht. -Tweede fase.   Wanneer de eerste laag goed droog is, wordt ze lichtjes geschuurd. Bij het lijmwater wordt krijtpoeder gevoegd. Bij 1 liter water voegt men 3/4de liter krijt. Dit mengsel wordt op de eerste laag aangebracht. -Derde fase.   Wanneer de tweede laag goed droog is, opnieuw lichtjes schuren. U voegt krijt toe bij lijmwater dat slechts 40 gram lijm per liter water bevat. Bij 1 liter lijmwater mag zeker 2 liter krijt worden gevoegd . Zo ontstaat een brij die net vloeibaar genoeg is om vlot aangebracht te worden en toch enkele millimeterdekking geeft. Wanneer de derde laag goed droog is, kan ze worden geschuurd. Eerst schuren met grof en dan met fijn schuurpapier. Om de verschillende lagen aan te maken en aan te brengen moeten de mengsels worden opgewarmd. Draag er zorg voor dat de temperatuur onder het kookpunt blijft.
Het is ook goed te weten dat de eigenschappen van sommige verfstoffen een verkeerde behandeling niet toelaten. Zo verkleurt zinkwit niet, maar heeft het wel de neiging om te barsten. Titaanwit daarentegen is elastisch maar vergeelt. Titaanwit isdus geschikt voor de ondergrond, terwijl zinkwit zeer geschikt is voor de bovenste lagen. Men gebruikt steeds cremserwit, dat de goede eigenschappen van de twee vorige verfstoffen combineert. Mits een goede vernislaag blijft het kleurvast.
Plaats het doek altijd waterpas en loodrecht en laat, bij het schilderen in de natuur, nooit de zon op het doek schijnen. Schilderen gebeurt onder middelmatige omstandigheden, nooit met volmaakt licht, want wanneer een schilderij ergens binnen in huis hangt, is het licht ook niet volmaakt. Een schilderij moet gemaakt   worden met een belichting die minder goed is dan de belichting op de plaats waar  het uiteindelijk komt te hangen.
Het is van groot belang te weten dat kleur verandert naar gelang van de ondergrond   waarop ze geschilderd is. Oranje is heel anders op een witte ondergrond dan op een  groene. Groen op een rode ondergrond is anders dan op een witte. Blauw opgeel-oranje geeft een veel warmere tint dan blauw op wit. Soms schildert men onder alles wat groen moet worden, zoals bomen en weiden, steeds een donkerrode laag (de fond).De fond van bakstenen en pannen donkergroen en die van de luchten warm geel-oranje. Goed om te weten is dat met een grijze kleur, gemaakt van ultramarijn blauw, omber  gebrand en wit, veel kan worden bereikt. Wanneer een schilderij wat zwaar overkomt, kan de rand ervan lichtjes met grijs, dat droog op een borstel van 7 cm isaangebracht, worden bestreken. De lichtpuntjes (Napels geel, wit of oranje) die het schilderij leven inblazen, het laatst. Door een donker streepje onder een lichtpuntje te zetten, wordt het effect nog vergroot.
De schilder moet niet in de verleiding komen om hetgeen hij ziet dadelijk op doek te  willen zetten. Hij moet eerst de opbouw van het onderwerp bestuderen. Ik deel het werk aan een schilderij in drie fasen in. Opzet en tekening. Indien de tekening en de opzet niet juist zijn duiken er achteraf prolemen op die niet te verhelpen zijn zonder alles te herschilderen.Daarom moet er zorg voor worden gedragen dat alles op de juiste plaats staat en dat de compositie in orde is.   De opzet verduidelijken en afwerken. De tekening bijwerken met penseel Nr. 10, wat meer licht aanbrengen en de donkere gedeeltes invullen zodat het contrast wordt vergroot. Door steeds meer lichte en donkere kleuren te schilderen, krijgt het schilderijvorm en kan begonnen worden aan de afwerking.
De afwerking. De afwerking is van groot belang omdat zebepalend is voor wat de toeschouwer uiteindelijk te zien krijgt. In tegenstelling tot de opzet kunnen er steeds verbeteringen aangebracht worden, indien het resultaat niet bevredigt.                                                     
Tekst: Leo Engelen