De schilders, die tot de Haagse School worden gerekend, hebben als belangrijkste gemeenschappelijke noemer dat zij afkomstig waren uit Den Haag en dat zij zich vooral bezig hielden met twee genres: het landschap en het vissersleven. Deze onderwerpen waren in die tijd in de directe omgeving van Den Haag nog in ruime mate aanwezig.

Tot ver in de 19de eeuw behield Den Haag zijn halflandelijkheid, in tegenstelling tot Rotterdam en Amsterdam, die als handels- en industriecentra een sterke groei doormaakten. Den Haag bleef nog lange tijd aan alle zijden omringd door polders en vaarten, weidegronden, bossen en duinen, die voor de landschapschilders een onuitputtelijke bron van inspiratie vormden. De schilders van de kust en het vissersleven vonden hun onderwerpen in de nabijgelegen kustplaatsen als bijvoorbeeld Scheveningen.
Aanvankelijk kregen de kunstenaars de nodige kritiek te verduren- hun werken waren te grijs van toon of leken niet voltooid-maar tegen het einde van de 19de eeuw waren zij uitgegroeid tot kunstenaars met een gevestigde reputatie. De zogenaamde grijze periode wordt nu gerekend tot het hoogtepunt van de Haagse School.
Ook na de eeuwwisseling werden de tradities van de Haagse School- zij het in afgezwakte vorm- voortgezet, vooral door kunstenaars die hun opleiding nog in de bloeitijd hadden genoten. Kunstenaars als Th. de Bock, W.B. Tholen en W. de Zwart worden tot de derde generatie gerekend.

De Haagse School is een stroming in de Nederlandse schilderkunst, die geplaatst kan worden in de tweede helft van de negentiende eeuw. De term Haagse School werd voor het eerst gebruikt in 1875, door de criticus Jacob van Santen Kolff.
Hij herkende een beweging in de schilderkunst, die hij zelfs ‘ultra-radicaal’ noemde. Deze beweging inspireerde zich op de werkelijkheid, huldigde de waarheid en wilde louter en alleen stemming weergeven. De school verenigde een aantal schilders die allen zelfstandig te werk gingen, maar de eerder genoemde elementen in hun schilderijen verwerkten. Vaak werd de kleur ondergeschikt gemaakt aan de sfeer die de schilders willen opwekken, iets dat Van Santen Kolff verleidde tot de uitspraak ‘de regering van het grijs’. Maar door op aparte wijze gebruikt te maken van allerlei tinten grijs en te ‘spelen’ met het licht, was het resultaat vaak helemaal niet zo saai als dat die uitspraak zou doen geloven. Door de kleur ondergeschikt te maken, krijgt licht een hoofdrol.

De Haagse School is, zoals gezegd, een negentiende-eeuwse beweging. Er zijn een aantal plaatsen die een belangrijke rol gespeeld hebben bij het ontstaan van de beweging. Allereerst natuurlijk de stad Den Haag. In de negentiende eeuw was Den Haag een rijke stad, met veel vermogende burgers. Ook had de stad een grote groep kunstenaars, waarvan een deel zich verenigde in het schilderkunstig genootschap ‘Pulchri Studio’ dat in 1847 werd opgericht. In dit genootschap vonden vaak artistieke discussies plaats tussen de verschillende schilders, wat een sfeer creëerde waarin vele schilders goed tot ontplooiing kwamen. De combinatie van de vermogende burgers en Pulchri Studio zorgde voor het ontstaan van een sociaal netwerk, waardoor de kunstenaars hun schilderijen relatief makkelijk  ‘aan de man konden brengen’. De idee van de ‘mecenaat’ die een schilder onderhield verdween en maakte plaats voor de schilder die in een vrije markt kon werken. Een markt die ontstond door samenwerking van kunstenaars, critici, handelaars, verzamelaars en het grote publiek; de moderne kunstenaar was geboren. De tweede plaats die een rol speelde bij het ontstaan van de Haagse School, was Oosterbeek. In dit dorp zette de schilder Gerard Bilders (die nog wel ‘onderhouden’ werd door een mecenas, namelijk Jan Kneppelhout) rond 1860 de vernieuwing in. Hij ging op zoek naar ‘de stemming in de natuur, den indruk, dien de natuur op mij maakt’.
Door de postume uitgave van Bilders’ brieven werd de aandacht op hem gevestigd, dat in combinatie met zijn vroege dood, er voor zorgde dat hij de mythische voorloper van de School werd. Verscheidene schilders volgden zijn voorbeeld en zochten inspiratie in Oosterbeek: Roelofs, Gabriël, Mauve, Marissen en De Haas. De naam Haagse School wil trouwens helemaal niet zeggen dat de schilders die tot de School behoorden hun werkterrein beperkten tot Den Haag en omstreken.
Reizen werd steeds meer een gewoontegoed en diverse leden van de School trokken naar andere plaatsen. Roelofs naar Brussel, Mauve naar Laren, Blommers naar Katwijk en Maris naar Londen. Bosboom reisde zelfs naar Rouen en Parijs. Ook Israëls en Jacob en Matthijs Maris verbleven enige tijd in deze laatste stad.

Kunsttheorieën
Centraal in al het werk bleef, ondanks al deze uitstapjes naar andere steden en het commerciële aspect, toch de oorspronkelijkheid. Eenvoud en eerlijkheid waren belangrijke elementen. Dit ging zo ver, dat men ondanks de discussies binnen Pulchri Studio, weinig ophad met kunsttheorieën. Weissenburch beperkte zijn kunsttheorie bijvoorbeeld tot: ‘Als ik geen klap van de natuur krijg, voel ik er niets voor’. Realisme was een belangrijk aspect voor de school. Desondanks zag
Israëls de mogelijkheid om allerlei burgerlijke idealen van die tijd in zijn schilderijen te verwerken. Met name het ‘lucratieve genre van het vissersleven’ leende zich hier goed voor.

De populariteit van de Haagse School steeg naar een hoogtepunt rond de eeuwwisseling. In binnen- en buitenland waren de schilders van de School geliefd en vele schilderijen bevinden zich nu bijvoorbeeld in collecties in Engeland, Schotland, Canada en de Verenigde Staten. Ook is de School een inspiratiebron geweest voor de twee grootste Nederlandse schilders na de School:  Van Gogh en Mondriaan.

Teks: Actor/Erasmus Universiteit Rotterdam

Schilders uit deze school

Johannes Bosboom
Willem Roelofs
Josef Israels
Jan Hendrik Weissenbruch
Paul Gabriel
Hendrik Willem Mesdag
Jan de Haas
Alexander Mollinger
Philip Sadee
Jacob Maris
Gerard Bilders
Anton Mauve
Matthijs Maris
Willem Maris
Bernard Blommers
Johannes Evert Akkeringa
Louis Apol
David Artz
Lauwrens Hanedoes
Isaac Israels
George Poggenbeek
Willem Tholen