De Groninger kunstenaars vereniging De Ploeg werd op 14 juni 1918 opgericht. Initiatiefnemers waren Jan Wiegers en Willem Reinders, samen met Jan Altink, en George Martens. Jan Altink bedacht de naam: “Omdat er in Groningen niet zoveel te doen was op kunstgebied dacht ik aan ontginnen en dus ook aan ploegen. Vandaar de naam ‘De Ploeg'”.
In de kunstwereld van Groningen waren belangrijke veranderingen in de beeldende kunst vanaf ca. 1906 nauwelijks tot uiting gekomen. Met De Ploeg zou daar verandering in komen.  De hoogtepunten van deze kunstenaarsgroep liggen tussen de beide wereldoorlogen in, met name tussen de jaren 1922 tot 1928.
Het werk van de leden verschilt onderling sterk en ook de achtergronden zijn zeer uiteenlopend. Wel zijn er gezamenlijke thema’s en gemeenschappelijke activiteiten te noemen, die een grote invloed op ieders werk hadden. Een algemeen kenmerk van hun werk is het vaak expressieve kleurgebruik. Ook twee kenmerken vind je bij elk Ploeglid wel terug, namelijk het portret en het landschap. Een aantal leden, bijvoorbeeld Hendrik de Vries en Job Hansen, heeft ook literaire teksten geschreven.
Binnen De Ploeg waren meerdere stromingen vertegenwoordigd. Globaal kunnen we er twee onderscheiden, die duidelijk de
veranderingen van de kunst uit de 20e eeuw weerspiegelen: een expressionistische richting (sterk onder invloed van Ernst Ludwig Kirchner en een abstraherende richting (H. N.Werkman). Het Expressionisme van Wiegers en Altink is gebaseerd op het Duits Expressionisme. Ook waren er sterke invloeden van Van Gogh te herkennen, bijvoorbeeld bij Dijkstra. De abstracte richting wordt vertegenwoordigd door Werkman, Alkema en Van der Zee.

De Ploeg is een kunstenaarsvereniging en niet zoals velen denken een stroming. Opgericht in 1918 en in de jaren twintig en dertig – althans sommigen – beinvloedt door het Duits
expressionisme. Men zette zich af – het is bijna standaard – tegen de tot dan toe gangbare opvattingen over beeldende kunst. En dat was schrikken in Groningen. Plotsklaps verschenen er schilderijen met kleurrijke vlakken, heftige kleurcontrasten, hoekige vormdeformaties en vlakmatige compositieschema’s.

De leden trokken naar gebieden even ten noorden van de stad in om in de vrijheid van de gecultiveerde natuur te werken. Daarnaast legden zij ook plekken in de stad vast in de
expressionistische stijl die zo typerend was voor de hoogtijdagen van De Ploeg. De ontvangst in Groningen was lauw evenals in
de rest van Nederland. En, de kunstenaars verkochten nauwelijks werk. Pas na de Tweede Wereldoorlog – het Groninger Museum speelde hierbij een rol – wordt het werk in
toenmende mate gewaardeerd tot buiten de landsgrenzen.

Leden van deze groep waren:

Wobbe Alkema
Jan Altink
Johan Dijkstra
Johan Faber
Job Hansen
Jan Jordens
Eeke Kleima
Jacobe de Lange van Haersolte
George Martens
Henk Melgers
Alida Pott
Hendrik de Vries
Jannes de Vries
Hendrik Werkman
Jan Wiegers
Jan Koster
Ruud Elzer
 
Van alle Ploeg-leden schilderde Jan Altink wellicht de mooiste Groningse landschappen. Uitgestrekte weilanden met koeien en wat waaibomen aan de horizon, soms ook met een enkele boerderij. Op zichzelf geen erg opzienbarende onderwerpen, zou je zeggen. Maar Altink heeft er met zijn intense kleuren een heel extatische lading aan gegeven.  Als je zijn werk eenmaal kent en je fietst door de contreien waar dat ontstond, neem je onwillekeurig zijn ruimte- en kleurervaring mee. Bij alles wat je ziet, stuurt zijn kwast indirect je blik.

Vóór 1920 was nog geen enkele schilder geïnteresseerd in het hoge noorden. Kunstenaars – ook die uit Groningen – begaven zich toen massaal naar Drenthe. Dat was een ‘erkend’ schilderachtig gebied. Al aan het begin van de negentiende eeuw heeft Egbert van Drielst deze provincie bij kunstliefhebbers geïntroduceerd. Veel moeite hoefde hij daarvoor niet te doen; de afwisseling van bos, hei en zandheuvels levert immers al gauw een aantrekkelijk plaatje op. Zelfs de winter oogt gezellig in dat decor, getuige een schilderij van Van Drielst in het Groninger Museum .

Aan het eind van de negentiende eeuw trokken zelfs randstedelijke kunstenaars van de Haagse School naar Drenthe. Ze vonden er de idyllische taferelen die zij aanvankelijk bij Scheveningen en Oosterbeek zochten en later in het Gooi. Zo maakte Anton Mauve impressionistische stemmingsbeelden van de onbedorven natuur bij het dorpje Wezep. En zijn leerling Vincent van Gogh schilderde onder meer indrukken van het leven op het veen.

De Groningse schilders aan het begin van jaren twintig wilden echter iets heel anders. De thema’s die traditioneel bij het landschap horen en het idee van schilderachtigheid konden hen niet langer bekoren. Demonstratief keerden zij zich daarom naar het noordelijker kale, hoge land. En niet alleen op zonnige dagen, maar ook als het slecht weer was. In het Groninger Museum bevinden zich verscheidene schilderijen van Altink waarop landerijen van zware klei onder donkere wolken opdoemen.  Die werken zijn zo suggestief geschilderd dat het gewicht van het land haast voelbaar wordt.

Dat effect komt voort uit de keuze van het onderwerp. Bij zulke uitgestrekte landschappen doet zich namelijk een probleem voor: hoe bouw je een goede compositie op zonder de geijkte bomen en bosjes op de voorgrond?  Alle schilders en fotografen weten dat je op een of andere manier in die leegte diepte moet aanbrengen. Als de natuur zelf geen houvast biedt, is het zaak het beeld met andere elementen te structureren. Bijvoorbeeld met de voren in de omgeploegde akker, zoals Altink deed.

Het onbelemmerde uitzicht over het vlakke land is de Ploeg-schilders en met name Altink steeds blijven fascineren. Behalve de bewerking van de grond had hij nog een manier om het wijdse gevoel dat hij daar buiten ervoer over te dragen: de weg. Op zijn schilderen kronkelen weggetjes nooit maar schieten in één keer recht door naar de einder. Treffender en kernachtiger had hij het gebied boven Groningen nauwelijks kunnen karakteriseren.

Job Hansen, een goede vriend van Altink, ging nog wat extremer te werk dan zijn stadgenoten. Opgeleid en werkzaam als architect, besloot hij pas op latere leeftijd beeldende kunst te gaan maken. In 1927 was het zover: statig en bedachtzaam fietste hij langs het Reitdiep richting Wadden tot de aanblik hem beviel. Nadat hij afgestapt was, installeerde hij zich en begon te schilderen. In plaats van een linnen doek gebruikte hij daarbij kleine panelen van triplex die hij thuis geprepareerd had. Hij zette ze niet op een schildersezel, maar legde ze gewoon op zijn schoot of in het gras.

Die eigenzinnige aanpak leverde verrassende resultaten op. Hansen probeerde de ruimte in een spontane handeling te vangen en bijna tastbaar te maken. Daartoe werkte hij heel vlug en ook heel vluchtig. Hij mengde zijn olieverf met benzine en verdunde de kleur zo sterk dat ze op aquarellen lijken. In de wandeling worden ze dan ook wel `benzinerellen’ genoemd. Op de lichte huid van de triplex-plankjes wisselde hij ijle vegen met meer aangezette halen en bewegingen af. Bepaalde partijen schilderde hij in zijn enthousiasme zelfs met zijn vingers.

Sommige werken van Hansen ogen aanvankelijk bijna abstract, maar als je langer kijkt ga je water en het groen van de begroeiing daaromheen ontwaren .  Omdat de voorstellingen in zo’n kort bevlogen moment tot stand moesten komen, stemden ze de schilder lang niet altijd tevreden. Op een dag zat hij weer langs de waterkant te werken en kwam er een boer langs die eerder al eens zo’n rare plank in de boom had aangetroffen. Nieuwsgierig vroeg hij in plat-grunnings aan Hansen: ‘Woat doust’doe daer m’jong?’  Deze sprak vervolgens de onvergetelijke woorden: ‘Ik schilder roemte!’

Terugkijkend is dat eigenlijk hetgeen waar al die Ploeg-kunstenaars mee bezig waren: het schilderen van ruimte. En iedereen die zich erover verbaast waarom ze dat toch deden, zou eens naar Groningen moeten gaan. Het lege landschap daar zal beslist tot de verbeelding spreken.

Tekst:  Henk van Os  in  Beeldenstorm