Sommige redenen waarom schilders naar Drenthe kwamen, liggen voor de hand. Door veelvuldige publicaties op het gebied van het landschapsschoon was het in de vorige eeuw voldoende bekend, dat Drenthe nog lang een gebied was dat als onbedorven en ongerept kon worden beschouwd.
In ieder geval vergeleken bij toch dichter bij het westen liggende gebieden als bijvoorbeeld het Gooi.
Onaangetaste heidevelden, authentieke dorpen met oude Saksische boerderijen rond de dorpskerk, steegjes die de verschillende erven met elkaar verbonden, hooilanden langs kronkelende beekjes, schaapskudden die het veld opzochten en niet te vergeten de hunebedden, die nog altijd iets van hun geheimzinnigheid bewaarden, het waren alle schilderachtige elementen die de provincie voor de kunstenaar aantrekkelijk maakten. Ooit deed Vincent van Gogh de uitspraak dat hij Drenthe mooier vond dan Barbizon. Dat vond weerklank bij degenen die waardering hadden voor de Franse impressionisten. Drenthe was, zeker na de aanleg van de spoorlijn naar Groningen, goed te bereiken.
Het verblijf was er goedkoop. Het huren van een onderkomen bij de boerenbevolking gaf niet al te veel problemen, zeker als men bepaalde ongemakken voor lief wilde nemen.
Maar ook het verblijf in hotels, was gezien de lange tijd dat men er soms verbleef of jaar na jaar terugkwam, blijkbaar goed te betalen.
Zeer bekend in dit verband is het hotel Kuiper in Hooghalen, waar Stengelin en veel andere kunstenaars verbleven. Ook het hotel Bussemaker in Exloo mocht jarenlang Julius Jacobus van de Sande Bakhuyzen onder zijn gasten rekenen. Anderzijds was het de kunstenaar ook gegeven vanuit een vaak niet onbemiddelde positie deze uitstapjes te maken. Bilders Sr. en Marie van Bosse konden het zich veroorloven om geld naar de armen van Gieten te sturen. Johanna Metelerkamp, die in Rolde en Exloo verbleef, heeft nooit een tekening verkocht, daarmee aangevende dat ze geen enkele moeite deed om de gemaakte werken aan de man te brengen.
Financieel gezien was het kennelijk niet nodig de kosten voor het verblijf althans enigermate te dekken. Voor Julius van de Sande Bakhuyzen lag dat anders.
Hij maakte zijn productie wel degelijk te gelde. Maar dat was ook buiten de bezoeken aan Drenthe of andere gebieden zijn gewoonte. Ook voor andere schilders zal het bezoek aan het platteland als doel hebben gehad om in een nieuwe omgeving andere indrukken op te doen om zodoende de verkoop op peil te houden.
Dat Drenthe populair was kwam voor een deel ook door de mond-tot-mondreclame.
In veel gevallen wees men elkaar op de mogelijkheden die de provincie bood en maakte men elkaar enthousiast. Willem Roelofs werd naar Drenthe meegenomen door zijn leerling Alexander Mollinger. Anthon van Rappard wees Vincent van Gogh op de mogelijkheden van Drenthe. De sterke sociale kant van het leven van Van de Sande Bakhuyzen bracht met zich mee dat het huis dat hij in Rolde huurde door vele collega’s werd bezocht. Men trok elkaar als het ware mee in een stroom naar de provincie waar men graag verbleef. Anderzijds was er de mogelijkheid voor wie zich tijdelijk terug wilde trekken uit het westen, waar het kunstleven zich toch hoofdzakelijk voltrok, om hier in alle rust op te gaan in het landelijke leven van de dorpsbewoner.
Velen conformeerden zich dan ook aan de levenswijze in de dorpen en werden daardoor geaccepteerd en vaak zelfs zeer gewaardeerd.
De krantenberichten over Bilders en Van Bosse uit Gieten laten dat maar al te duidelijk zien. Ook Van de Sande Bakhuyzen wist de juiste snaar te treffen.
In Rolde hield hij een geit en in Exloo mochten de schoolkinderen jarenlang steevast op een sint-nicolaastractatie rekenen.
Vanuit het perspectief van de kunstschilder lagen er in Drenthe veel mogelijkheden als het ging om het schilderen van het landschap. Niet alleen de geografische gesteldheid, maar ook de omstandigheden waaronder de bevolking leefde en werkte en waarvan de variatie in al zijn omvang kon worden uitgebuit, stonden borg voor het tot stand komen van een groot aantal werken. In het westen van het land werd men toen al af en toe geconfronteerd met veranderingen in het landschap. Protesten daartegen haalden niet veel uit. De voortgaande ontwikkeling van de maatschappij was nu eenmaal niet te stuiten.
In Drenthe kon men als tegenhanger nog genoeg gebieden vinden waar men niet met deze door velen ongewenste ontwikkelingen hoefde te worden geconfronteerd. De belangstelling voor het landschap was niet het enige dat de kunstschilders dreef. Aandacht voor de bevolking was een andere factor. De mens in zijn sociale omstandigheden werd een geliefd onderwerp.
Benarde omstandigheden konden op deze wijze als aanklacht naar voren worden gebracht. Maar lang niet altijd waren het ideele motieven die de kunstenaars ertoe brachten om de medemens uit te beelden. Soms ook golden slechts artistieke redenen en waren het juist de schilderachtige factoren die de kunstenaars inspireerden om de medemens neer te penselen. Een boerenbevolking in al zijn facetten is daarvoor een onuitputtelijke bron.

Na 1900

 Tot ruim in de twintigste eeuw kreeg Drenthe zijn deel mee van schilders die de provincie bezochten. Nog enkele decennia lang kwam Julius Jacobus van de Sande Bakhuyzen naar Exloo en Alphonse Stengelin bracht tot aan de eerste wereldoorlog regelmatige bezoeken aan Hooghalen. Inmiddels hadden zich ook schilders in de provincie gevestigd: Roessingh vanaf 1909 in Elp en zijn buurman Dozy vanaf 1911. Zij wisselden hun verblijf nog regelmatig af met dat in Antwerpen. Arie van der Boon daarentegen was in 1915 definitief in Rolde neergestreken en E. B. van Dulmen Krumpelmann koos in 1920 tenslotte voor een vast verblijf in Zeegse. Louis Krans was al vanaf zijn kindertijd met Assen verbonden en had zich daar al voor de eeuwwisseling gevestigd. Daardoor ontstond er langzamerhand ook meer verband tussen de kunstenaars onderling. Niet alleen meer waren het individuele schilders, die hier tijdelijk kwamen werken, maar kunstenaars die in elkaars nabijheid verbleven gingen zich meer op elkaar orienteren. Overigens kwam dit proces slechts aarzelend op gang. In Meppel, waar men gezien het aantal daar wonende schilders voorzichtig van een kolonie zou kunnen spreken, ontstond rond 1920 de vereniging Kunst en Vriendschap. Er werden tekenavonden gehouden, men schilderde in de vrije natuur, hield kunstbeschouwingen, becommentarieerde elkaars werk en organiseerde exposities.
De naam van de vereniging, die ongeveer twintig jaar heeft bestaan, werd meestal afgekort tot KeV. Of deze ook in de electrotechniek bekende aanduiding associaties beoogde op te roepen met een spetterend bestaan van de Meppeler kunstenaars, is een onbeantwoorde vraag. Veel navolging ondervond deze vorm van samenbinding vooralsnog niet. De voorwaarden leken in de rest van de provincie eenvoudig niet aanwezig. Ook in Assen en omgeving waar nog een zekere concentratie van schilders was te bespeuren, bleef een georganiseerd verband achterwege. De kunstwerelden van Meppel en Assen leken zich van elkaars bestaan nauwelijks bewust. De tijden werden er ook niet gemakkelijker op toen de tweede wereldoorlog aanbrak. Opdrachten bleven uit, reizen werd moeilijk, materialen waren slecht verkrijgbaar en menigeen dook onder of hield zich op zijn minst op de achtergrond. Voor de neiging tot vereniging die zich voor de oorlog niet voldoende had kunnen ontplooien, brak na 1945 een betere tijd aan.

Na 1945

Met nieuw elan sloeg een aantal schilders in 1946 de handen ineen om de vereniging De Drentse Schilders te stichten.
Tot hen behoorden Reinhart Dozy (Elp), Hans Heyting (Borger), Louis Kortenhorst (Assen), Jan Kagie (Rolde), Erasmus Bernardus von Dulmen Krumpelmann (Zeegse), Arent Ronda (Beilen) en Hein Kray (Assen), maar ook de Assenaar Willy Schoonhoven van Beurden deed mee, evenals Evert Musch die kort na de oorlog in Drenthe was komen wonen en de Meppelers Klaas Smink, Anthony Keizer, Albert Torie en Jentinus Ponne. Doel was om de leden de mogelijkheid te bieden te exposeren en door onderling contact kennis te nemen van het werk van collega’s. Spoedig echter bleek dat daarmee de kous niet af was. Onenigheid over de kwaliteit van het geleverde werk deden Arie van der Boon en Jan Kagie al binnen een jaar besluiten de vereniging te verlaten. Een lang leven was de Drentse Schilders dan ook niet beschoren. In 1953 viel het doek. De eveneens kort na de oorlog in Meppel ontstane groep “De Oase” was een iets langer leven beschoren, maar hield het toch ook niet langer uit dan tot eind jaren vijftig. In 1954 leek er een steviger basis gevonden. In dat jaar werd door vader en zoon Von Dulmen Krumpelmann, Evert Musch, Arent Ronda, Anthony Keizer, Albert Torie, Joop Schuurhuis, To Jager en Marieke Eisma opnieuw een verband van kunstenaars gevormd.




Deze keer onder de naam Drents Schilder Genootschap, dat tot op de dag van vandaag bestaat. Hans Heyting werd niet opnieuw lid, omdat hij de kwaliteit van zijn werk te gering achtte. De samenwerking verliep nu aanzienlijk beter. Door veel te exposeren, ook in over de provincie verspreide plaatsen, heeft het Genootschap er veel toe bijgedragen, dat de bevolking kennis kon nemen van in Drenthe ontstane of door met Drenthe verbonden schilders vervaardigde kunst. In tegenstelling tot Groningen, waar men reeds in de twintiger jaren openstond voor nieuwe stromingen als het expressionisme, heeft in Drenthe de schilderkunst in Drenthe geen grote doorbraken laten zien en zich meer langs lijnen van geleidelijkheid ontwikkeld. Naast nieuwe vormen en ideeën, die zeker aanwezig zijn, laten zich nog altijd Haagse Schoolelementen bespeuren. Het overzicht van de in dit boek behandelde schilders eindigt bij de tweede wereldoorlog, die gezien de bovengeschetste ontwikkeling als een breukvlak kan worden beschouwd tussen de individueel werkende kunstenaar en de schilder voor wie de georganiseerde contacten mede een bodem onder het kunstenaarsbestaan vormen. 

 Tekst: Roel Sanders-  Schilders van Drente boek