Het atelier, was reeds vanaf de middeleeuwen niet alleen werkplaats van de meester-schilder, maar tevens het  opleidingsinstituut voor nieuwe schilders.
De vroegere kunstenaar begon als leerling bij een meester, in diens schildersatelier, waar hij eerst hielp door de instructies uit te voeren en minder belangrijke gedeelten van de schilderingen in te vullen. Langzamerhand leerde hij hoe bijvoorbeeld een apostel moest worden afgebeeld en hoe de H. Maagd moest worden getekend. Hij leerde hoe hij tafereeltjes uit oude boeken kon kopiëren, opnieuw moest rangschikken en in verschillende lijsten passen en ten slotte had hij genoeg vaardigheid om ook een tafereel waarvan hij geen voorbeeld kende, te kunnen uitbeelden. Maar in zijn loopbaan kwam hij nooit tegenover de  noodzaak te staan een schetsboek ter hand te nemen om iets naar het leven te tekenen. Zelfs als hem werd gevraagd een bepaald persoon af te beelden, de heersende vorst of een bisschop, maakte hij toch niet wat wij een gelijkenis zouden noemen. Er bestonden in de middeleeuwen geen portretten in onze zin. Al wat de kunstenaar deed was een conventionele figuur tekenen en die de tekens van zijn waardigheid geven -een kroon of scepter voor de vorst, een mijter en staf voor de bisschop – en er misschien nog de betreffende naam onder zetten, zodat er geen vergissing mogelijk kon zijn. Het idee voor een persoon of een voorwerp te gaan zitten en zo de natuur te kopiëren was hem volkomen vreemd.
Een leerling die zich wilde bekwamen in het schildersvak meldde zich aan bij een meester die hem tegen vergoeding de technische kant van het schilderen bijbracht. Dat was toen een zeer bewerkelijke kant: niet alleen werd het doek of paneel waarop men schilderde, in de werkplaats geprepareerd, ook de verf moest eigenhandig worden  gemaakt: de droge kleurstoffen werden met olie tot verf vermengd. Dit was de taak van de leerling, die in het begin slechts als hulpje fungeerde. Hij wreef de verf en bracht deze aan op het palet, zodat zijn meester steeds over een vers palet kon beschikken. Naast de technische aspecten, kreeg de leerling ook onderricht in tekenen, waarbij het accent lag op het tekenen van het menselijk lichaam. Stapsgewijs werd dit aangeleerd, beginnend met de kleinste lichaamsonderdelen, zoals ogen, neuzen, handen en voeten. Hiervoor werden tekenboeken gebruikt. Daarna ging de leerling over tot het kopiëren van prenten en schilderijen en,als hij dit onder de knie had, tot het tekenen naar gipsen afgietsels van antieke beelden.
Het schilderen van een poserend model behoorde tot het werkterrein van de gevorderde gezel.
Bovenstaande werkwijze werd voortgezet tot aan het einde van de 19de eeuw, waarna de Academies en Hoge scholen v.d. Kunst de opleidingen grotendeels overnamen en het atelier alleen nog de werkplaats van de schilder bleef.

Het atelier, was reeds vanaf de middeleeuwen niet alleen werkplaats van de meester-schilder, maar tevens het     opleidingsinstituut voor nieuwe schilders.
De vroegere kunstenaar begon als leerling bij een meester, in diens schildersatelier, waar hij eerst hielp door de instructies uit te voeren en minder belangrijke gedeelten van de schilderingen in te vullen. Langzamerhand leerde hij hoe bijvoorbeeld een apostel moest worden afgebeeld en hoe de H. Maagd moest worden getekend. Hij leerde hoe hij tafereeltjes uit oude boeken kon kopiëren, opnieuw moest rangschikken en in verschillende lijsten passen en ten slotte had hij genoeg vaardigheid om ook een tafereel waarvan hij geen voorbeeld kende, te kunnen uitbeelden. Maar in zijn loopbaan kwam hij nooit tegenover de  noodzaak te staan een schetsboek ter hand te nemen om iets naar het leven te tekenen. Zelfs als hem werd gevraagd een bepaald persoon af te beelden, de heersende vorst of een bisschop, maakte hij toch niet wat wij een gelijkenis zouden noemen. Er bestonden in de middeleeuwen geen portretten in onze zin. Al wat de kunstenaar deed was een conventionele figuur tekenen en die de tekens van zijn waardigheid geven -een kroon of scepter voor de vorst, een mijter en staf voor de bisschop – en er misschien nog de betreffende naam onder zetten, zodat er geen vergissing mogelijk kon zijn. Het idee voor een persoon of een voorwerp te gaan zitten en zo de natuur te kopiëren was hem volkomen vreemd.Een leerling die zich wilde bekwamen in het schildersvak meldde zich aan bij een meester die hem tegen vergoeding detechnische kant van het schilderen bijbracht. Dat was toen een zeer bewerkelijke kant: niet alleen werd het doek of paneel waarop men schilderde, in de werkplaats geprepareerd, ook deverf moest eigenhandig worden  gemaakt: de droge kleurstoffen werden met olie tot verf vermengd. Dit was de taak van de leerling, die in het begin slechts als hulpje fungeerde. Hij wreef deverf en bracht deze aan op het palet, zodat zijn meester steeds over een vers palet kon beschikken. Naast de technische aspecten, kreeg de leerling ook onderricht in tekenen, waarbij het accent lag op het tekenen van het menselijk lichaam. Stapsgewijs werd dit aangeleerd, beginnend met de kleinste lichaamsonderdelen, zoals ogen, neuzen, handen en voeten. Hiervoor werden tekenboeken gebruikt. Daarna ging de leerling over tot het kopiëren van prenten en schilderijen en,als hij ditonder de knie had, tot het tekenen naar gipsen afgietsels van antieke beelden.Het schilderen van een poserend model behoorde tot het werkterrein van de gevorderde gezel.
Bovenstaande werkwijze werd voortgezet tot aan het einde van de 19de eeuw, waarna de Academies en Hoge scholen v.d. Kunst de opleidingen grotendeels overnamen en het atelier alleen nog de werkplaats van de schilder bleef.